Hoge Raad · 30 oktober 2015
Fusie en overgang executiebevoegdheid: betekening ex artikel 431a Rv
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na een juridische fusie wil de verkrijgende rechtspersoon een executie voortzetten uit een vonnis dat de verdwenen rechtspersoon had verkregen. De Hoge Raad oordeelt dat de overgang van de executiebevoegdheid door fusie (artikel 2:309 BW) moet worden betekend op de voet van artikel 431a Rv. Niet-naleving leidt niet tot nietigheid als de overgang schriftelijk of elektronisch aan de geëxecuteerde is medegedeeld, met afschrift aan de deurwaarder, tenzij de geëxecuteerde onredelijk is benadeeld.
Kernoverwegingen
“Bij een fusie als bedoeld in Titel 7 van Boek 2 van het BW gaan de vorderingen van de verdwijnende rechtspersonen onder algemene titel over op de overnemende of de bij de fusie nieuw opgerichte rechtspersoon, hierna samen aan te duiden als de verkrijgende rechtspersoon (art. 2:309 BW; art. 3:80 lid 2 BW). Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 is vermeld, gaat op de verkrijgende rechtspersoon de bevoegdheid over tot tenuitvoerlegging van aan die vorderingen verbonden executoriale titels. In het algemeen zullen die titels daadwerkelijk aan hem worden afgegeven (vgl. art. 6:143 lid 2 BW).”
r.o. 3.4.4
“Op grond van hetgeen hiervoor in 3.4.2-3.4.4 is overwogen, rust op de verkrijgende rechtspersoon die de executie na het van kracht worden van de fusie wil aanvangen of voortzetten, ingevolge art. 431a Rv de verplichting tot betekening van de overgang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging aan de geëxecuteerde. Dat is ook het geval onder de in de eerste prejudiciële vraag genoemde omstandigheden dat geen misverstand kan bestaan omtrent de (rechts-)persoon aan wie bevrijdend kan worden betaald, lopende executies via de rekening van de deurwaarder worden afgewikkeld, de geëxecuteerden tijdig van de fusie op de hoogte zijn gesteld en de betekeningskosten voor rekening van geëxecuteerden komen.”
r.o. 3.4.5
“Uit de parlementaire geschiedenis van art. 431a Rv en die van de bepalingen over fusie in Titel 7 van Boek 2 BW blijkt niet dat bij de totstandkoming ervan is gedacht aan een geval als door de prejudiciële vragen aan de orde gesteld, waarin een rechtspersoon de tenuitvoerlegging aanvangt of voortzet van een potentieel aanzienlijke hoeveelheid executoriale titels, die hij bij een fusie onder algemene titel heeft verkregen van een rechtspersoon die bij die fusie is opgehouden te bestaan (art. 2:311 lid 1 BW) (hierna: verdwenen rechtspersoon).”
r.o. 3.5.4