Hoge Raad · 9 januari 2015
Algemeen directeur coöperatie niet zonder meer uitvoerend bestuurder; ontslagvergunning Curaçao
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een coöperatie op Curaçao zegt de arbeidsovereenkomst van haar algemeen directeur op zonder ontslagvergunning. Het hof zag hem als uitvoerend bestuurder (one-tier board, artikel 2:18 BWC), zodat geen arbeidsovereenkomst en geen vergunning nodig zou zijn. De Hoge Raad vernietigt: gelet op de statuten maakt een door delegatie aangestelde algemeen directeur geen deel uit van het uitvoerend bestuur. Ten overvloede overweegt hij dat de uitzondering in de ontslagregeling alleen geldt voor statutair benoemde bestuurders.
Kernoverwegingen
“In cassatie is onbestreden dat ACU een coöperatie is en daarmee een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:1 lid 1 BWC. Op grond van art. 2:8 lid 1 BWC heeft iedere rechtspersoon een bestuur. Het bestuur van de rechtspersoon kan als ‘one tier board’ systeem (monistisch bestuursmodel) of als ‘two tier board’ systeem (dualistisch bestuursmodel) worden ingericht. Art. 2:18 BWC bepaalt met het oog daarop dat de bestuurstaken krachtens de statuten van de rechtspersoon kunnen worden verdeeld over een algemeen bestuur en een uitvoerend bestuur (lid 1). Het uitvoerend bestuur is belast met het besturen van de rechtspersoon voor zover het de dagelijkse gang van zaken betreft (lid 3). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de regeling van art. 2:18 BWC niet uitsluit dat een belangrijk deel van de uitvoerende taken wordt opgedragen aan een ‘directie’, bestaande uit personen in dienst van de rechtspersoon (MvT op de Invoeringslandsverordening Boek 2 BW, Staten van de Nederlandse Antillen, zitting 2003-2004, 2803, nr. 3, p. 34).”
r.o. 3.3.2
“In het licht van deze bepalingen is het oordeel van het hof dat de ‘one-tier board’ waarin de statuten van ACU voorzien, bestaat uit een niet-uitvoerend bestuur enerzijds en de algemeen directeur, belast met het dagelijks bestuur, anderzijds, onbegrijpelijk. De statuten bepalen immers dat het dagelijks bestuur wordt gevormd door de voorzitter, de secretaris en de penningmeester (art. 36 lid 1). Uit de in art. 36 lid 5 van de statuten aan het bestuur toegekende bevoegdheid taken en bevoegdheden, het dagelijks bestuur betreffende, te delegeren aan een (door het bestuur aan te stellen) ‘algemeen directeur’ volgt niet dat deze zelf tot het (uitvoerend) bestuur gaat behoren. Bovendien bepaalt art. 40 van de statuten dat het bestuur de arbeidsvoorwaarden van de ‘algemeen directeur’ vaststelt, hetgeen, gelet op art. 2:8 lid 5 BWC, erop wijst dat de ‘algemeen directeur’ geen deel uitmaakt van het bestuur. Ook het bepaalde in art. 2:18 BWC dwingt, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, niet tot die conclusie. Om die reden is het oordeel dat [eiser] als uitvoerend bestuurder dient te worden aangemerkt evenzeer onbegrijpelijk. De vaststelling dat hij als ‘algemeen directeur’ was belast met het dagelijks bestuur van ACU kan dat oordeel niet dragen, evenmin als de door het hof in aanmerking genomen inschrijving van [eiser] als algemeen directeur in de registers van de Kamer van Koophandel. De hierop gerichte klachten van onderdeel 1 slagen. Hetzelfde geldt voor het op […]”
r.o. 3.3.4
“Uit de toelichting op deze wijziging moet worden afgeleid dat de uitzondering van het huidige art. 2, aanhef en onderdeel e, LBA alleen betrekking heeft op een persoon die tot bestuurder van een vennootschap of een doelvermogen is benoemd bij of krachtens de statuten, het reglement dan wel de regeling die de organisatie van die vennootschap of dat doelvermogen beheerst. Personen die wel de titel ‘directeur’ dragen, maar niet op de hiervoor bedoelde wijze tot bestuurder zijn benoemd, vallen dus niet onder de in genoemde bepaling voorziene categorie van personen voor wie geen ontslagvergunning nodig is. Het uitgangspunt dat alleen zij die bestuursbevoegdheid en -verantwoordelijkheid dragen van bescherming door het vereiste van een ontslagvergunning zijn uitgesloten, strookt met de beschermingsgedachte die aan de LBA ten grondslag ligt. Het is tevens in overeenstemming met de voor Nederland geldende regeling, waarbij de uitzondering op de vergunningsplicht krachtens het (thans nog geldende) BBA eveneens uitsluitend geldt voor bestuurders (van naamloze en besloten vennootschappen).”
r.o. 3.4.3