Hoge Raad · 6 maart 2015
Disculpatie feitelijk bestuurder artikel 2:248 lid 3 BW; bewijslast verkeerd toegepast
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Curatoren vorderen van een feitelijk bestuurder het faillissementstekort van een groep vennootschappen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het hof wees de vordering af omdat de feitelijk bestuurder zich kon disculperen en de curatoren haar verweer niet hadden weerlegd. De Hoge Raad vernietigt: het hof heeft niet vastgesteld dat de bestuurder de disculpatie van artikel 2:248 lid 3 BW heeft bewezen. De zaak wordt verwezen.
Kernoverwegingen
“Ingevolge art. 2:248 lid 3 BW is een bestuurder niet aansprakelijk indien hij bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van die onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.”
r.o. 3.3.2
“Het hof heeft niet vastgesteld dat [verweerster] heeft bewezen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan haar te wijten is geweest en dat zij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Het oordeel van het hof geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen 2 en 3 slagen dus. Dit brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de overige klachten geen behandeling behoeven.”
r.o. 3.3.3