Hoge Raad · 12 februari 2016
Artikel 2:248 BW: motivering kennelijk onbehoorlijke taakvervulling onvoldoende; vernietiging en verwijzing
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een curator vordert van de bestuurder van een failliete bv het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW. De Hoge Raad vernietigt het arrest waarin de bestuurder aansprakelijk werd gehouden, omdat de motivering van de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling ontoereikend is. Het criterium blijft dat geen redelijk denkend bestuurder zo zou hebben gehandeld. De zaak gaat voor verdere behandeling naar een ander hof.
Kernoverwegingen
“Deze klacht is gegrond. Het oordeel van het hof komt erop neer dat, ervan uitgaande dat de teruglopende omzet van [C] een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] is geweest, [eiser] ook in dat verband een verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt omdat hij feitelijk zicht had – of kon hebben – op de financiële positie van [C] Dit oordeel is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling is pas sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld (vgl. o.a. HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, NJ 2001/454, rov. 3.7). Zonder motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de enkele omstandigheid dat [eiser] zicht had of kon hebben op de financiële positie van [C] , het oordeel kan dragen dat [eiser] onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten met betrekking tot de omstandigheid dat de teruglopende omzet bij [C] oorzaak is geweest van het faillissement van [A] . Daaruit volgt immers nog niet dat [eiser] aanleiding had om attent te zijn op een teruglopende omzet van [C] of in dit verband actie had kunnen en moeten ondernemen. Het oordeel van het hof is temeer onbegrijpelijk in het licht van het feit – waarop het onderdeel mede wijst – dat [eiser] in de feitelijke instanties heeft gesteld (a) dat er in 2007 geen reden was om aan te nemen dat [C] haar aandeel in de kosten in dat jaar of in 2008 niet zou kunnen betalen, (b) dat [betrokkene] (bestuurder van […]”
r.o. 3.5.2
“Het hof heeft de hiervoor in 3.6.1 verkort weergegeven stellingen van [eiser] niet verworpen, zodat in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Wel heeft het hof overwogen dat [eiser] zich had behoren te realiseren dat de afspraak tussen [A] en [C] over de verdeling bij helfte van de kosten en de wettelijke regeling inzake de aansprakelijkheid van maten van een maatschap voor schulden aan derden, niet beslissend behoefden te zijn voor de rechtsverhouding met [E] omdat afwijkende afspraken zouden kunnen gelden en dat van [eiser] in ieder geval had mogen worden verwacht dat hij bij [E] informatie had ingewonnen (rov. 9). Ook heeft het hof overwogen dat het onder toezicht van de deken staan en het door deze zorgen voor een ‘stil curator’ niet meebrengt dat [eiser] niet langer verantwoordelijkheid droeg voor het tijdig voldoen van de schuldeisers van de maatschap (rov. 11). Uitgaande van de juistheid van de hiervoor in 3.6.1 weergegeven stellingen van [eiser] , weerleggen deze overwegingen van het hof echter nog niet het in die stellingen besloten liggende standpunt dat niet kan worden gezegd dat [eiser] heeft gehandeld zoals geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Uit de overwegingen van het hof volgt immers niet dat [eiser] , uitgaande van de juistheid van het door hem gestelde, niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat [A] voor slechts de helft van de met [E] overeengekomen […]”
r.o. 3.6.2
“Onderdeel 4 is gericht tegen de veroordeling van [eiser] in de kosten van het door hem ingestelde incidentele hoger beroep. Het onderdeel betoogt dat het hof het niet prijsgegeven verweer van [eiser] dat het te laat deponeren van de jaarrekening van [A] een onbelangrijk verzuim als bedoeld in art. 2:248 lid 2 BW vormde, reeds had moeten beoordelen in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep. Bij het falen van het zekerheidshalve op dit punt ingestelde incidenteel appel had een kostenveroordeling achterwege moeten blijven, aldus het onderdeel. Het onderdeel slaagt. Volgens vaste jurisprudentie kan de omstandigheid dat, zoals zich hier heeft voorgedaan, [eiser] , die door de rechtbank in het gelijk was gesteld, in eerste aanleg gevoerde verweren in de vorm van een (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep onder de aandacht van het hof heeft gebracht, niet ertoe leiden dat verwerping van die verweren – en dientengevolge de verwerping van het incidentele hoger beroep – [eiser] op een kostenveroordeling komt te staan. Zie onder meer HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1506, NJ 1989/30, HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289 en HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9966, NJ 2012/319.”
r.o. 3.8