← Week 44

Hoge Raad · 4 november 2016

Enquêtebevoegdheid van onteigende aandeelhouders SNS Reaal na onteigening Interventiewet

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Aandeelhouders die door onteigening op grond van de Interventiewet hun aandelen geheel hebben verloren, kunnen toch ontvankelijk zijn in een enquêteverzoek. Het niet meer voldoen aan de kapitaalseis van artikel 2:346 BW staat daar niet aan in de weg als het verzoek ziet op het beleid dat tot de onteigening heeft geleid. Doel en strekking van de Interventiewet veranderen dit niet; de bezwaren van de Staat horen thuis in de belangenafweging bij toewijzing.

Kernoverwegingen

“De zaak die aan de orde was in de Slotervaartbeschikking en de onderhavige hebben met elkaar gemeen dat in beide gevallen de omstandigheid dat niet meer wordt voldaan aan de kapitaalseis verband houdt met gebeurtenissen die de aandeelhouder niet heeft kunnen verhinderen, terwijl een onderzoek wordt verzocht juist naar het beleid en de gang van zaken die ertoe hebben geleid dat niet meer aan de kapitaalseis wordt voldaan. In zoverre is er aanleiding om ook voor het onderhavige geval te oordelen dat de strekking van het enquêterecht meebrengt de verzoekers bevoegd te achten tot het indienen van een enquêteverzoek. Daaraan staat niet in de weg dat in het onderhavige geval – anders dan in de zaak waarop de Slotervaartbeschikking betrekking had – de hoedanigheid van aandeelhouder voor verzoekers geheel verloren is gegaan.”

r.o. 3.5.4

“Hier staat tegenover dat het verband tussen enerzijds het beleid en de gang van zaken in de onderneming en anderzijds het niet meer voldoen aan de kapitaalseis, in het onderhavige geval anders en minder direct is dan in de zaak waarop de Slotervaartbeschikking betrekking had. De directe oorzaak van het niet meer voldoen aan die eis is in het onderhavige geval immers niet gelegen in enige handeling van of binnen de rechtspersoon, maar in een handeling van een derde (onteigening door de Staat). Dit verschil is echter niet zodanig dat voor de ontvankelijkheid van het verzoek in het onderhavige geval anders moet worden beslist dan in een geval als aan de orde was in de Slotervaartbeschikking. De onteigening is immers gevolg van de positie waarin SNS Reaal op 1 februari 2013 verkeerde, en die positie kan niet los worden gezien van het daaraan voorafgaande beleid binnen SNS Reaal. Daarom is voor de ontvankelijkheid in het onderhavige geval voldoende dat de verzoeker stelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken met betrekking tot de aan de onteigening voorafgaande periode.”

r.o. 3.5.5

“Bij het voorgaande komt dat de onteigening mede ertoe strekte een faillissement van SNS Reaal te voorkomen. In geval van een faillissement zouden de aandeelhouders ontvankelijk zijn geweest in een verzoek als het onderhavige, ook al zou daarbij de nadruk op hun eigen belang hebben gelegen (vgl. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 (Ogem) en HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210 (KPNQwest)). Ook dit rechtvaardigt het oordeel dat de onteigening niet in de weg staat aan het voor ontvankelijkheid vereiste verband tussen het beleid binnen de vennootschap en het niet meer voldoen aan de kapitaalseis. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de onteigende aandeelhouders recht hebben op een schadeloosstelling voor het verlies van hun aandelen, nu de hoogte daarvan in negatieve zin kan zijn beïnvloed door het beleid en de gang van zaken in de periode die aan de onteigening voorafging.”

r.o. 3.5.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2456
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
4 november 2016
Datum publicatie
4 november 2016
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:346 BW, 2:347 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 44 van 2016

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.