← Week 45

Hoge Raad · 11 november 2016

Enquêteverzoek Curaçao: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren vooraf en vervaltermijn vernietiging

  • Enquêterecht
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een minderheidsaandeelhouder in twee Curaçaose houdstermaatschappijen verzoekt een enquête naar aandelenemissies die haar belang hebben verwaterd. De Hoge Raad oordeelt dat enkel tijdsverloop of stilzitten niet tot rechtsverwerking van de enquêtebevoegdheid leidt zonder bijzondere omstandigheden. Ook bevestigt hij dat de Slotervaartregel over de kapitaalseis geldt zonder termijnbeperking en dat de vervaltermijn voor vernietiging van besluiten niet geldt in een enquêteprocedure.

Kernoverwegingen

“Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (vgl. onder meer HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635, NJ 1998/621 en HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543, NJ 2013/317). Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Een en ander geldt evenzeer voor het aannemen van rechtsverwerking ter zake van de bevoegdheid een enquête te verzoeken.”

r.o. 4.2

“Het hof heeft geen (bijzondere) omstandigheden vastgesteld die aanleiding hebben gegeven tot gerechtvaardigd vertrouwen of onredelijke benadeling aan de zijde van Cordial en Turnham als hiervoor in 4.2 bedoeld. Het enkele tijdsverloop (van bijna vijf jaar na de emissiebesluiten en van ruim drie jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe enquêterecht in Curaçao op 1 januari 2012) kan niet als een zodanige omstandigheid aangemerkt worden. Noch de omstandigheid dat Bab na de aandeelhoudersvergaderingen “het bezwaar niet aan de orde heeft gesteld” (rov. 2.5), noch de omstandigheid dat zij “ermee (had) kunnen volstaan kenbaar te maken dat zij zich er niet bij neerlegde” (rov. 2.6), kan zonder nadere motivering als een zodanige omstandigheid aangemerkt worden. ‘Stilzitten’ kan slechts tot rechtsverwerking leiden, indien op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht. Het hof heeft echter niet vastgesteld of gemotiveerd op grond waarvan Cordial en Turnham, bij achterwege blijven van een mededeling van Bab, redelijkerwijze mochten vertrouwen dat Bab geen enquêteverzoek meer zou doen. Evenmin heeft het hof gemotiveerd waarin de onredelijke benadeling in hun positie is gelegen, of op grond waarvan van Bab verwacht mocht worden die benadeling te voorkomen. Daar komt bij dat onderdeel 6.3 terecht klaagt dat het hof de in dat onderdeel genoemde herhaaldelijk gedane verzoeken van Bab om informatie, en de […]”

r.o. 4.3

“De middelen bestrijden (terecht) niet dat de regel die in de Slotervaartbeschikking is geformuleerd, ook geldt voor het enquêterecht in Curaçao en de kapitaalseis van art. 2:272 lid 1, aanhef en onder c, BWC. Anders dan in onderdeel 1 van Cordial c.s. en onderdeel 1 van [A] wordt betoogd, geldt die regel niet slechts indien het enquêteverzoek ‘binnen een redelijke termijn’ of ‘met bekwame spoed’ is ingediend. Een zodanige inperking past niet bij de (in de Slotervaartbeschikking omschreven) ratio van de regel. Daarbij verdient opmerking dat tijdsverloop wel een omstandigheid kan zijn waarmee rekening wordt gehouden bij de beoordeling van een beroep op rechtsverwerking (zie hiervoor in 4.2) of in het kader van een belangenafweging bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van het enquêteverzoek (vgl. HR 20 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2646, NJ 1997/188 (Wijsmuller)).”

r.o. 5.2.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2574
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
11 november 2016
Datum publicatie
11 november 2016
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:272 BWC, 2:273 BWC, 2:21 BWC, 2:346 BW, 2:349 BW, 2:15 BW
Thema
Enquêterecht, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 45 van 2016

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.