Hoge Raad · 1 april 2016
Artikel 2:9 BW: causaal verband wanbeleid stichtingsbestuurder en advocaatkosten kort geding
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichting houdt haar voormalige bestuurder op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk voor schade door wanbeleid. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het causaal verband tussen het wanbeleid en de verloren kort gedingprocedure nadere toelichting behoefde. Het arrest wordt vernietigd en de zaak is verwezen, terwijl het principale beroep van de bestuurder wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“In dit geding heeft [eiser] een vordering tegen ATAL ingesteld, die in cassatie geen rol meer speelt. In reconventie vordert ATAL schadevergoeding van [eiser], die zij aansprakelijk houdt wegens niet behoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder, als bedoeld in art. 2:9 BW.”
r.o. 3.2
“De rechtbank heeft de reconventionele vordering toegewezen tot een bedrag van (in hoofdsom) € 58.771,12. Het hof heeft dat vonnis op dat punt bekrachtigd en [eiser] daarenboven veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 371.100,30. Het heeft de vordering van ATAL tot vergoeding van de advocaatkosten (ten bedrage van € 68.072,76) die betrekking hadden op het in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.19 vermelde kort geding niet toewijsbaar geoordeeld, overwegende: “3.31 Het door ATAL gevorderde bedrag aan advocaatkosten wordt afgewezen. ATAL stelt dat deze kosten betrekking hebben op het door STAT tegen ATAL gevoerde kort geding en dat dit kort geding zonder het door [eiser] gevoerde wanbeleid niet gevoerd was. Zij heeft echter onvoldoende toegelicht dat zij het kort geding heeft verloren door het door [eiser] gevoerde wanbeleid. Grief 4 in principaal appel faalt daarom.””
r.o. 3.3
“Deze klacht slaagt. Blijkens rov. 2 onder (u) heeft ATAL het kort geding verloren omdat de voorzieningenrechter voorshands aannemelijk oordeelde dat de door STAT aan haar vordering ten grondslag gelegde (mondelinge) overeenkomst inderdaad door [eiser] als bestuurder van ATAL met STAT was aangegaan, zulks mede op grond van een brief van [eiser] waarin hij bevestigde dat de desbetreffende afspraken waren gemaakt. Die overeenkomst hield in dat in het kader van de ophanden zijnde fusie tussen STAT en ATAL 100% van de door ATAL van verzekeraars ontvangen vergoedingen aan STAT zou worden doorbetaald en verder dat door STAT en ATAL wederzijds verrichte diensten niet zouden worden verrekend. In rov. 3.26 heeft het hof het aangaan van die overeenkomst door [eiser] – die naar het oordeel van het hof (rov. 3.25) 25% van die vergoedingen aan ATAL ten goede had moeten laten komen – aangemerkt als, kort gezegd, wanbeleid. ATAL heeft in (grief 4 van) haar memorie van grieven aangevoerd dat het aangaan van die overeenkomst wanbeleid van [eiser] opleverde en dat de kosten die zij heeft moeten maken in het kort geding dat STAT ter verkrijging van nakoming van die overeenkomst tegen haar had aangespannen, daarom schade vormt die zij als gevolg van dat wanbeleid heeft geleden. [eiser] heeft tegen dit laatste in zijn memorie van antwoord niets aangevoerd. Tegen deze achtergrond is het bestreden oordeel van het hof – dat erop neerkomt dat het door ATAL gestelde causaal verband tussen het […]”
r.o. 5.2.2