← Week 15

Hoge Raad · 15 april 2016

Bestuurder stichting aansprakelijk voor lening; verjaring en grenzen van de rechtsstrijd

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een geldverstrekker stelt de bestuurder van een stichting persoonlijk aansprakelijk uit onrechtmatige daad omdat de stichting een lening aanging terwijl terugbetaling en verhaal niet te verwachten waren. Het hof wees de vordering toe en verwierp het verjaringsverweer op grond van stuiting, terwijl de geldverstrekker zich daar niet op had beroepen. De Hoge Raad vernietigt omdat het hof daarmee de grenzen van de rechtsstrijd is overschreden, en verwijst de zaak naar een ander hof, dat zo nodig het begin van de verjaringstermijn moet onderzoeken.

Kernoverwegingen

“Alleen [eiser] is hiervan in beroep gekomen. Het hof heeft hem, voor zover in cassatie van belang, veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 45.378,02 aan [verweerster], indien de Stichting niet binnen acht dagen na betekening van het eindvonnis van de rechtbank tot betaling overeenkomstig dat vonnis overgaat. Het hof heeft daartoe, samengevat, overwogen dat [eiser] als bestuurder van de Stichting onrechtmatig heeft gehandeld door te bewerkstelligen dat de Stichting de lening met [verweerster] aanging, terwijl hij redelijkerwijs moest begrijpen dat de Stichting niet tot terugbetaling in staat zou zijn en geen verhaal zou bieden, waarbij hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt treft (rov. 4.3 – 4.14). Met betrekking tot het door [eiser] in hoger beroep gedane beroep op verjaring van de tegen hem gerichte vordering overwoog het hof als volgt: “4.16 [eiser] stelt in dit verband dat [verweerster] reeds eind 2002 wist dat het bedrijf van de Stichting feitelijk was opgeheven en dat de Stichting geen activiteiten meer zou ondernemen. De Stichting was aldus eind 2002 van rechtswege in verzuim omdat zij niet zou kunnen nakomen. Daarmee is de verjaring gaan lopen. Toen [verweerster] in 2010 dagvaardde, was de vordering al lang verjaard.”

r.o. 3.2.3

“Onderdeel I.2 klaagt dat het hof, door het beroep van [eiser] op verjaring af te wijzen op de grond dat de verjaring is gestuit, in strijd met art. 24 Rv de gronden van het verweer heeft aangevuld, en daarmee tevens buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Deze klacht slaagt. Vaste rechtspraak is dat het de rechter niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen. (HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663, NJ 2006/158) De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat [verweerster] niet heeft gesteld dat de verjaring van de vordering is gestuit. Zij heeft (slechts) betwist dat de verjaringstermijn in 2002 is gaan lopen en bovendien gesteld dat het beroep van [eiser] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Door zijn oordeel dat de vordering van [verweerster] niet is verjaard te baseren op stuiting van de verjaring, heeft het hof dan ook in strijd met art. 24 Rv gehandeld en is het buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.”

r.o. 3.4

“Het hof heeft de in rov. 4.16 weergegeven stelling van [eiser] dat de verjaringstermijn van de tegen hem gerichte vordering in 2002 is gaan lopen, in rov. 4.17 kennelijk slechts veronderstellenderwijs voor juist gehouden, en heeft de betwisting van die stelling door [verweerster] dan ook onbesproken gelaten. Dat betekent dat na verwijzing zo nodig alsnog onderzocht moet worden op welk moment de verjaringstermijn van de vordering van [verweerster] tegen [eiser], die berust op onrechtmatige daad en waarvan de verjaring dus wordt beheerst door art. 3:310 BW, is gaan lopen.”

r.o. 3.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2016:663
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
15 april 2016
Datum publicatie
15 april 2016
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 3:310 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 15 van 2016

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.