← Week 26

Hoge Raad · 30 juni 2017

Verjaring vordering op opgehouden vennootschap en borgtocht; artikel 2:23c lid 2 BW

  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een bank sprak een borg aan nadat de hoofdschuldenaar, een bv, na faillissement bij gebrek aan baten was opgehouden te bestaan. De Hoge Raad oordeelt dat de verjaringstermijn van de vordering op de niet meer bestaande bv doorloopt volgens artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met artikel 3:320 BW. Heropening van de vereffening en stuiting zijn daarvoor niet nodig, zodat de borgtocht niet is geëindigd.

Kernoverwegingen

“De vennootschap is ingevolge art. 2:19 lid 1 onder c BW ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Nu de vennootschap op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, is zij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW opgehouden te bestaan. Uit art. 2:23c lid 1 BW volgt dat indien na het tijdstip waarop de vennootschap is opgehouden te bestaan, nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen. In dat geval herleeft de vennootschap ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW volgt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen gedurende het tijdvak waarin de vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na heropening van de vereffening, die verjaringstermijn voortloopt totdat zes maanden na die heropening zijn verstreken.”

r.o. 3.3.2

“Art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Die regel veronderstelt dat een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend op de voet van art. 2:23c lid 1 BW. Dit brengt mee dat heropening van de vereffening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn. Om dezelfde reden behoeft een verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet meer bestaat.”

r.o. 3.3.3

“Onderdeel 3.3 doet nog een beroep op HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3743, NJ 2014/87. In dat arrest is bepaald dat de verjaring van het invorderingsrecht van de Ontvanger tegen een niet meer bestaande vennootschap gestuit kan worden door betekening van een akte van vervolging op de voet van art. 54 lid 4 Rv. De vraag of stuiting nodig was om de verjaring te voorkomen, was in die procedure in cassatie niet aan de orde. Nu het hof in de onderhavige procedure terecht heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn ook zonder stuiting tegen de niet meer bestaande vennootschap is voortgelopen, behoefde het hof niet in te gaan op de stelling van [eiser] dat Rabobank geen gebruik had gemaakt van de stuitingsmogelijkheid van art. 54 lid 4 Rv.”

r.o. 3.3.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2017:1182
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
30 juni 2017
Datum publicatie
30 juni 2017
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:19 BW, 2:23c BW, 3:320 BW, 7:853 BW
Thema
Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
Weekoverzicht
Week 26 van 2017

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.