← Week 9

Hoge Raad · 3 maart 2017

Tegenstrijdig belang bij concernfinanciering: regres medeschuldenaar met gemeenschappelijke (indirecte) aandeelhouder

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In het faillissement van een concernvennootschap wil een medeschuldenaar op grond van een regresafspraak als schuldeiser worden toegelaten. De curator beroept zich op tegenstrijdig belang van de (indirect) bestuurder, die ook indirect aandeelhouder van de medeschuldenaar was. De Hoge Raad verwerpt het beroep omdat de constructie, gelet op doel en structuur van de concernfinanciering, niet anders uitpakt dan wanneer de dochters zich meteen hoofdelijk hadden verbonden.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 1 komt op tegen het oordeel van het hof dat het beroep van de curator op een tegenstrijdig belang als vorenbedoeld, faalt. Onderdeel 1.1 klaagt dat het hof onbehandeld heeft gelaten het verweer van de curator dat [HO [A]] en de kleindochters van [BH [A]] bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003 met [verweerster] onbevoegd zijn vertegenwoordigd door hun (indirecte) bestuurder [betrokkene 1] , nu zij een tegenstrijdig belang met hem hadden in de zin van art. 2:256 (oud) BW. [betrokkene 1] was immers (door tussenkomst van [B] B.V.) aandeelhouder in [verweerster] – aan wie in de genoemde overeenkomst een regresmogelijkheid werd toegekend – terwijl hij geen aandeelhouder was in [BH [A]] of haar (klein)dochters, jegens wie dat regres zou kunnen worden uitgeoefend.”

r.o. 3.3

“Deze klacht faalt. Het hof heeft het beroep van de curator op een tegenstrijdig belang beoordeeld in de relatie tussen [BH [A]] en haar (klein)dochters, en dit beroep verworpen op grond van – kort gezegd – doel, achtergrond en structuur van de concernfinancieringsverhouding. In dit licht heeft het hof geoordeeld dat de overeenkomst van 8 januari 2003 en de overeenkomst van 13 januari 2003 tezamen als één geheel moeten worden behandeld wat betreft de vraag of door [BH [A]] is gehandeld met een tegenstrijdig belang, en dat het aangaan van deze overeenkomsten in het belang was van zowel [BH [A]] als haar (klein)dochters. In verband hiermee behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op de positie van [betrokkene 1] bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003. Weliswaar ontstond de hoofdelijke aansprakelijkheid van de (klein)dochters voor de lening door tussenkomst van [verweerster] , die zich in de overeenkomst van 13 januari 2003 als medeschuldenaar naast [BH [A]] verbond, maar in het oordeel van het hof ligt besloten dat dit niet van belang is. Het resultaat van deze constructie is namelijk niet anders dan indien de (klein)dochters van [BH [A]] zich aanstonds (dat wil zeggen: bij de overeenkomst van 8 januari 2003) samen met [verweerster] naast [BH [A]] hoofdelijk tegenover de schuldeiser [betrokkene 2] zouden hebben verbonden. [verweerster] kreeg door de overeengekomen regresmogelijkheid immers niet meer rechten dan deze schuldeiser in dat geval jegens de […]”

r.o. 3.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2017:363
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
3 maart 2017
Datum publicatie
3 maart 2017
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:256 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 9 van 2017

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.