← Week 13

Hoge Raad · 31 maart 2017

Maatstaf verzet schuldeisers tegen beëindiging aansprakelijkheid na intrekking 403-verklaring

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De Hoge Raad geeft de maatstaf voor verzet van schuldeisers tegen beëindiging van de aansprakelijkheid na intrekking van een 403-verklaring (artikel 2:404 BW). Als bestaan en omvang van de vordering zijn betwist, moet het verzet gegrond worden verklaard, tenzij de vordering onmiskenbaar ongegrond is. Daaraan zijn slechts beperkte motiveringseisen te stellen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“Na intrekking van een 403-verklaring blijft aansprakelijkheid bestaan voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die zijn verricht voordat jegens de schuldeiser een beroep op de intrekking kan worden gedaan. Deze overblijvende aansprakelijkheid kan op de voet van art. 2:404 lid 3 BW ten opzichte van de schuldeiser worden beëindigd. Voor zodanige beëindiging is onder meer vereist dat (a) de rechtspersoon waarvoor een 403-verklaring is afgelegd, niet meer tot de groep behoort, (b) een mededeling van het voornemen tot beëindiging ten minste twee maanden lang ter inzage heeft gelegen bij het handelsregister en (c) ten minste twee maanden zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de mededeling ter inzage ligt. Tot twee maanden na de aankondiging kan de schuldeiser voor wiens – gestelde – vordering nog aansprakelijkheid loopt, tegen het voornemen tot beëindiging verzet doen op de voet van art. 2:404 lid 5 BW. Indien de schuldeiser dit verlangt, moet ingevolge art. 2:404 lid 4 BW, op straffe van gegrondverklaring van het verzet, voor hem zekerheid worden gesteld of hem een andere waarborg worden gegeven voor de voldoening van zijn vorderingen waarvoor nog aansprakelijkheid loopt. Dit geldt niet als de schuldeiser na het beëindigen van de aansprakelijkheid voldoende waarborgen heeft dat deze vorderingen zullen worden voldaan. Gegrondverklaring van een verzet staat ingevolge art. 2:404 lid 3, aanhef en onder d, BW in de weg aan […]”

r.o. 5.1.3

“Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:404 BW blijkt dat is beoogd dat de regeling het evenwicht bewaart tussen het belang van de schuldeiser die op de 403-verklaring is afgegaan, en het belang van de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgelegd en die na het verbreken van de groepsband zijn aansprakelijkheid uit hoofde van deze verklaring wil beëindigen. Een schuldeiser kan na bekendmaking van het voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid vervangende zekerheid of een andere waarborg verlangen, indien het voornemen meebrengt dat zijn positie (niet alleen formeel, maar ook) materieel wordt verzwakt. De regeling van verzet in art. 2:404 BW is mede ontleend aan de regeling van verzet tegen kapitaalvermindering. (Kamerstukken II 1983-1984, 16 551, nr. 11, p. 15-16) In de memorie van toelichting op art. 2:100 BW, waarin de regeling van verzet tegen kapitaalvermindering bij de naamloze vennootschap is opgenomen, is het volgende vermeld. Is de vordering opeisbaar, dan zal de schuldeiser uiteraard betaling verlangen en, om verzet te voorkomen, krijgen, indien zijn vordering niet betwist is. Is de vordering wel betwist, dan wordt deze in feite pas inbaar na een rechterlijk vonnis of een schikking, die beide nog enige tijd op zich kunnen laten wachten. Het zou daarom onredelijk zijn de schuldeiser die een betwiste vordering heeft, een aanspraak op zekerheidstelling te onthouden, tenzij de rechter die over het verzet oordeelt de betwiste vordering […]”

r.o. 5.1.4

“Door een 403-verklaring stelt een rechtspersoon die financiële gegevens heeft geconsolideerd op de voet van art. 2:403 lid 1, aanhef en onder c, BW (hierna: moedermaatschappij), zich hoofdelijk aansprakelijk voor de uit rechtshandelingen van de tot een groep behorende rechtspersoon waarvan zij die financiële gegevens heeft geconsolideerd (hierna: groepsmaatschappij). Een derde die een overeenkomst sluit met een groepsmaatschappij als zojuist bedoeld, doet dit in de regel mede in vertrouwen op deze hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en het voortduren daarvan. Uit de regeling van art. 2:404 BW en de hiervoor in 5.1.4 aangehaalde toelichtingen volgt dat dit vertrouwen ook bescherming verdient bij beëindiging van de (mogelijk) overblijvende aansprakelijkheid. Een moedermaatschappij die deze aansprakelijkheid wil beëindigen, behoort dat niet te kunnen doen ten koste van de zekerheid van de schuldeiser voor de voldoening van een vordering waarvoor nog (mogelijke) aansprakelijkheid loopt.”

r.o. 5.1.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2017:546
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
31 maart 2017
Datum publicatie
31 maart 2017
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:403 BW, 2:404 BW, 2:100 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 13 van 2017

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.