Hoge Raad · 6 juli 2018
Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder voor niet-nakoming vaststellingsovereenkomst door B.V.; Beklamelverwijt
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een B.V. vorderde nakoming van een vaststellingsovereenkomst van een andere B.V. en voorwaardelijk betaling door de bestuurder van die B.V. in persoon. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de stellingen dat de bestuurder persoonlijk onzorgvuldig heeft bewerkstelligd dat de B.V. de afspraken niet nakwam. Voor het Beklamelverwijt, dat de bestuurder al bij het sluiten van de overeenkomst wist dat nakoming niet mogelijk was, geldt een afzonderlijke maatstaf, en die klachten falen. De Hoge Raad vernietigt en verwijst de zaak.
Kernoverwegingen
“De klachten van het middel zijn alle gericht tegen de afwijzing van de voorwaardelijke vorderingen tegen [verweerder]. Bij de behandeling van die klachten wordt het volgende voorop gesteld. Gelet op het standpunt van Ruysheide in hoger beroep en de weergave van dat standpunt door het hof (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4 en 3.5), moet rov. 2.9 zo worden verstaan dat het hof bij de beantwoording van de vraag of [verweerder] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen of nalaten ten opzichte van Ruysheide, twee verwijten aan [verweerder] heeft onderscheiden en vervolgens behandeld:
(a) Het verwijt dat [verweerder] op jegens Ruysheide onzorgvuldige wijze heeft bewerkstelligd dat BPPM haar verplichtingen niet nakwam;
(b) Het verwijt dat [verweerder] reeds bij ondertekening van de ‘Term Sheets’ wist of behoorde te weten dat de vaststellingsovereenkomst niet zou worden nagekomen en dat BPPM geen verhaal zou bieden voor de daaruit voortvloeiende schade.
Het verwijt onder (a) wordt door het hof behandeld in de eerste volzin van rov. 2.9. De rest van rov. 2.9 betreft het verwijt onder (b) (hierna ook: het Beklamelverwijt).
3.5.1 Onderdeel 1 klaagt over het oordeel van het hof met betrekking tot het hiervoor in 3.4 onder (a) vermelde verwijt. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de memorie van grieven betoogt het onderdeel dat Ruysheide ter onderbouwing van haar verwijt meer heeft gesteld dan ‘de enkele omstandigheid’ die het hof […]”
r.o. 3.4
“Onderdeel 1 klaagt over het oordeel van het hof met betrekking tot het hiervoor in 3.4 onder (a) vermelde verwijt. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de memorie van grieven betoogt het onderdeel dat Ruysheide ter onderbouwing van haar verwijt meer heeft gesteld dan ‘de enkele omstandigheid’ die het hof ontoereikend heeft geacht voor het honoreren van dat verwijt. Deze klacht slaagt. In de memorie van grieven heeft Ruysheide onder meer gesteld dat [verweerder] onnodig heeft aangestuurd op een surseance en het faillissement van Fund’m en vervolgens uit dat faillissement de lucratieve activiteiten voor een fractie van de waarde heeft opgekocht, dat [verweerder] aan de banken slechts financiering namens Fund’m heeft gevraagd en niet (mede) namens BPPM, en bovendien om een veel hogere financiering heeft gevraagd dan de koopprijs van € 175.000,-- terwijl hij had moeten begrijpen dat die financiering niet zou worden verkregen, dat [verweerder] de banken onjuiste dan wel onnodig ongunstige cijfers heeft voorgelegd, en dat [verweerder] elk overleg over de financiering – ook over (deel)financiering door Ruysheide – heeft geweigerd. Deze stellingen strekken onmiskenbaar tot onderbouwing van het standpunt van Ruysheide dat [verweerder] persoonlijk en op jegens Ruysheide onzorgvuldige wijze heeft bewerkstelligd dat BPPM haar verplichtingen jegens Ruysheide niet nakwam. Het hof had op deze stellingen moeten ingaan.”
r.o. 3.5.1
“Onderdeel 2 betreft het hiervoor in 3.4 onder (b) vermelde Beklamelverwijt. Onderdeel 2.1 klaagt over het oordeel in rov. 2.9 dat “een concrete onderbouwing [ontbreekt] van het (Beklamel)verwijt dat [verweerder] reeds op 20 maart 2013 duidelijk moet zijn geweest dat bancaire financiering niet mogelijk was”. Het onderdeel betoogt dat, nu Ruysheide gemotiveerd stelt dat [verweerder] nakoming door BPPM moedwillig frustreerde, het niet nodig was om afzonderlijk te stellen dat [verweerder] reeds ten tijde van het sluiten van de ‘Term Sheets’ en de NVO al wist of behoorde te weten dat geen financiering kon worden verkregen. Het onderdeel faalt, want het miskent dat Ruysheide aan [verweerder] twee van elkaar te onderscheiden verwijten heeft gemaakt en dat voor die verwijten afzonderlijke beoordelingsmaatstaven gelden. De door het onderdeel aangevallen overweging betreft het hiervoor in 3.4 onder (b) vermelde Beklamelverwijt, en voor de beoordeling van dat verwijt is het hof uitgegaan van de juiste maatstaf. Bij die maatstaf speelt de mogelijke omstandigheid dat [verweerder] nakoming door BPPM moedwillig frustreerde geen rol.”
r.o. 3.6