Hoge Raad · 12 oktober 2018
Gemeente Gilze en Rijen
Afgeleide aandeelhoudersschade: moedermaatschappij lijdt schade door onrechtmatig handelen jegens haarzelf
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een gemeente handelde onrechtmatig jegens een houdstermaatschappij, waardoor de dochtermaatschappij winst misliep. De Hoge Raad oordeelt dat de regels over afgeleide aandeelhoudersschade (Poot/ABP, Chipshol) niet gelden, omdat niet is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid jegens de dochter. Schade van een vennootschap kan ook schade van de aandeelhouder zijn, in de vorm van een lagere aandelenwaarde of gederfd dividend, en komt bij toerekenbaarheid voor vergoeding in aanmerking, ook zonder verkoop van de aandelen. Het arrest van het hof wordt vernietigd.
Kernoverwegingen
“Volgens vaste rechtspraak geldt dat indien een derde aan een naamloze of besloten vennootschap vermogensschade toebrengt door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting jegens de vennootschap of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap een vordering heeft tot vergoeding van deze schade. In beginsel komt aan een of meer houders van aandelen in de vennootschap niet een vordering toe tot vergoeding van schade bestaande in vermindering van de waarde van hun aandelen of gemiste koerswinst die het gevolg is van de vorenbedoelde tekortkoming of onrechtmatige gedraging jegens de vennootschap (zogeheten afgeleide schade). Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder. Zie onder meer HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995, 288 (Poot/ABP), rov. 3.4.3, en HR 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2443, NJ 2001/573 (Chipshol/Coopers&Lybrand), rov. 3.4.2.”
r.o. 3.4.1
“De hiervoor in 3.4.1 genoemde regels zien uitsluitend op het geval dat onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd jegens een vennootschap, en de aandeelhouder vergoeding van zijn afgeleide schade vordert. Die regels berusten erop dat het in dat geval aan de vennootschap zelf is om, ter bescherming van de belangen van allen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben, vergoeding van de toegebrachte schade te vorderen (zie het arrest Poot/ABP, rov. 3.4.1).”
r.o. 3.4.2
“Zoals het onderdeel terecht aanvoert, moet in deze zaak ervan worden uitgegaan dat de Gemeente niet onrechtmatig jegens de dochtermaatschappij heeft gehandeld en dan ook niet jegens haar aansprakelijk is. De rechtbank heeft immers aldus geoordeeld en het hof heeft vastgesteld dat tegen dat oordeel in hoger beroep niet is opgekomen. De hiervoor in 3.4.1 weergegeven regels zijn in deze zaak daarom niet van toepassing. Nu uitgangspunt moet zijn dat geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens de dochtermaatschappij, speelt ook het hiervoor in 3.4.2 genoemde gezichtspunt geen rol als argument om aan de holding vergoeding van haar schade te ontzeggen. Voor zover het hof dit een en ander heeft miskend, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.”
r.o. 3.4.3