← Week 41

Hoge Raad · 12 oktober 2018

Belanghebbende bij verzoek tot ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een lid en voormalig bestuurder van een vereniging verzoekt het bestuur van de door die vereniging opgerichte stichting te ontslaan, een nieuw bestuur te benoemen en subsidiair de stichting te ontbinden. Het hof achtte hem geen belanghebbende. De Hoge Raad vernietigt: het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de betrokkenheid bij het bestedingsbeleid ontoereikend is, en de zwaarte van de ingrijpende voorzieningen speelt geen rol bij de ontvankelijkheid.

Kernoverwegingen

“In art. 2:298 lid 1 BW, art. 2:299 BW en art. 2:21 lid 4 BW is niet in het algemeen vermeld wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepalingen zijn te rekenen. Dit moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. (Vgl. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45, rov. 3.4.2.)”

r.o. 4.1.2

“Het oordeel van het hof in rov. 2.9 en rov. 2.11 moet aldus worden begrepen dat [verzoeker] niet zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, te weten het bestedingsbeleid van de Stichting, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.”

r.o. 4.1.3

“Het onderdeel slaagt. Vast staat dat [verzoeker] (a) van 2004 tot 2012 bestuurder van het ANV is geweest, dus in een periode dat de Stichting de fondsen van haar oprichtster, het ANV, beheerde en administreerde, (b) sinds 2009 bestuurslid is van de ANV-afdeling Nederland, (c) zich in het verleden ervoor heeft sterk gemaakt dat de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde statutenwijziging deels is teruggedraaid, en (d) tijdens zijn bestuurslidmaatschap van het ANV en nadien erop is blijven wijzen dat de Stichting, ook na de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde statutenwijziging, (te veel) kosten van het ANV voor rekening van het [A]-fonds bracht. Het hof heeft door te oordelen dat deze omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, ontoereikend zijn voor de conclusie dat [verzoeker] voldoende nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld (te weten: de vraag of het bestedingsbeleid van de Stichting voldoet aan de testamentaire – en statutaire voorwaarden), onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien dat een en ander onvoldoende is om [verzoeker] als belanghebbende aan te merken. Daarbij is van belang dat aan de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat [verzoeker] geen bestuurder van de Stichting is (geweest) in dit verband geen beslissende betekenis toekomt.”

r.o. 4.1.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2018:1900
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
12 oktober 2018
Datum publicatie
12 oktober 2018
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:298 BW, 2:299 BW, 2:21 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
Weekoverzicht
Week 41 van 2018

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.