Hoge Raad · 30 november 2018
Vertegenwoordigingsbevoegdheid bestuurder bij borgtocht: Kribbebijter-maatstaf en artikel 2:130 BW
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een advocatenkantoor vorderde betaling van een vennootschap op grond van een mondeling aangegane borgtocht, die de bestuurder namens de vennootschap zou hebben gesloten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte keek naar toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, terwijl de bestuurder op grond van artikel 2:130 BW bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. Of hij namens de vennootschap handelde, volgt uit de Kribbebijter-maatstaf. De Hoge Raad vernietigt en verwijst.
Kernoverwegingen
“De klachten slagen. Het hof heeft in rov. 3.8 van belang geacht of sprake is van een aan Unisphere toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het hof heeft echter in rov. 3.2 vastgesteld dat [betrokkene 4] (indirect) bestuurder en aandeelhouder is van Unisphere. Als zodanig is [betrokkene 4] op grond van art. 2:130 BW bevoegd Unisphere te vertegenwoordigen. Omtrent eventuele beperkingen van deze vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft het hof niets vastgesteld. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof, indien het ervan uit is gegaan dat [betrokkene 4] niet bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd.”
r.o. 3.3.2
“Ook deze klacht slaagt. Het antwoord op de vraag of [betrokkene 4] bij het maken van borgstellingsafspraken als vertegenwoordiger van Unisphere heeft gehandeld, is afhankelijk van hetgeen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter) en HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460). Indien het hof voor zijn oordeel dat [betrokkene 4] niet als vertegenwoordiger van Unisphere met [eiseres] borgstellingsafspraken heeft gemaakt, in rov. 3.8 mede van belang heeft geacht of bij [eiseres] een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt door “feiten en omstandigheden die voor risico van Unisphere komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid”, heeft het hof hetzij de hiervoor genoemde maatstaf miskend, hetzij onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.”
r.o. 3.3.4
“Indien het hof niet is uitgegaan van de hiervoor in 3.3.2 en 3.3.4 onjuist of onvoldoende gemotiveerd bevonden oordelen, is onduidelijk op welke grond het hof de stellingen van [eiseres] verworpen heeft. In dat geval is zijn oordeel eveneens onvoldoende gemotiveerd.”
r.o. 3.3.5