Hoge Raad · 13 april 2018
Enquête: kostenverhaal ex artikel 2:354 BW op feitelijk bestuurder en hoofdelijkheid
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Enquêterecht
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
De Hoge Raad oordeelt dat de OK onderzoekskosten van een enquête op grond van artikel 2:354 BW ook kan verhalen op een feitelijk bestuurder, mits individueel en concreet blijkt dat hem een persoonlijk verwijt van het wanbeleid kan worden gemaakt. Bij verhaal op twee of meer personen zijn zij op grond van artikel 6:6 lid 2 BW hoofdelijk verbonden. Een dergelijke veroordeling valt binnen de wettelijke taak van de OK. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Ingevolge art. 2:345 lid 1 BW kan de ondernemingskamer een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt dat de rechtspersoon de kosten van dat onderzoek betaalt. Op grond van art. 2:354 BW kan de ondernemingskamer, na kennisneming van het verslag van het onderzoek, op verzoek van de rechtspersoon beslissen dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op (voor zover hier van belang) een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. Zoals is overwogen in HR 16 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2594, NJ 1997/37 (VHS), rov. 3.3.1, strekt art. 2:354 BW ertoe om verhaal van onderzoekskosten mogelijk te maken ten laste van de individuele persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden. In overeenstemming met deze strekking is in HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607, NJ 2017/202 (Meavita), rov. 3.6.2, beslist dat de ondernemingskamer bij haar beslissing op de voet van art. 2:354 BW alle omstandigheden van het geval dient te betrekken en dat uit haar overwegingen ten aanzien van de desbetreffende functionaris individueel en concreet moet blijken dat hij verantwoordelijk is voor het […]”
r.o. 3.3.2
“De wetsgeschiedenis van (de voorloper van) art. 2:354 BW (aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4) bevat geen aanwijzingen dat de wetgever heeft beoogd verhaal van onderzoekskosten ten laste van personen die geen formele verantwoordelijkheid droegen, uit te sluiten. Voorts strookt het met de hiervoor in 3.3.2 bedoelde strekking van art. 2:354 BW om deze bepaling van toepassing te achten op alle personen die in de sfeer van de rechtspersoon zijn opgetreden en verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het slecht functioneren van de rechtspersoon, ook zonder dat zij een formele verantwoordelijkheid droegen. Opmerking verdient dat ook voor verhaal van onderzoekskosten op de voet van art. 2:354 BW ten laste van een persoon die geen formele verantwoordelijkheid droeg, slechts plaats is indien is voldaan aan de hiervoor in 3.3.2 bedoelde maatstaf dat ten aanzien van deze persoon individueel en concreet blijkt dat hij verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of de onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon, hetgeen inhoudt dat hem persoonlijk van de onjuistheid van dat beleid of van die onbevredigende gang van zaken een verwijt kan worden gemaakt.”
r.o. 3.3.3
“Beide klachten van het onderdeel falen. Een kostenveroordeling op de voet van art. 2:354 BW strekt, voor zover hier van belang, tot vergoeding van de schade van de rechtspersoon die bestaat in het betalen van de kosten van het onderzoek op de voet van art. 2:350 lid 3 BW. Indien de ondernemingskamer oordeelt dat kosten voor het geheel op ieder van twee of meer personen kunnen worden verhaald, zijn die personen krachtens art. 6:6 lid 2 BW hoofdelijk verbonden. Zoals is geoordeeld in HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, NJ 1997/671 (Text Lite), rov. 4.3.1, kan het dictum van een beslissing van de ondernemingskamer waarin een verzoek tot verhaal van onderzoekskosten op de voet van art. 2:354 BW is toegewezen, een veroordeling tot betaling van die onderzoekskosten inhouden. Anders dan het onderdeel aanvoert, valt het uitspreken van een dergelijke veroordeling binnen de wettelijke taak van de ondernemingskamer.”
r.o. 3.4.2