Hoge Raad · 22 juni 2018
Executoriale verkoop verpande aandelen met blokkeringsregeling: toestemming voorzieningenrechter vereist
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een pandhouder wil verpande aandelen in een bv onderhands verkopen met inachtneming van de statutaire blokkeringsregeling. De Hoge Raad oordeelt dat de executieregeling van de artikelen 3:250 e.v. BW dan steeds van toepassing blijft naast artikel 2:198 lid 6 BW. Voor een van openbare verkoop afwijkende wijze is daarom toestemming van de voorzieningenrechter op grond van artikel 3:251 lid 1 BW nodig. De verkoop mag niet in strijd zijn met de statutaire regeling.
Kernoverwegingen
“Bij de executoriale verkoop van verpande aandelen geldt evenzeer als bij de executoriale verkoop van andere verpande goederen dat de met art. 3:250 e.v. BW gediende bescherming van de belangen van de pandgever en de andere schuldeisers zoveel mogelijk moet zijn gewaarborgd. Afhankelijk van de inhoud van de statutaire (blokkerings)regeling, is die waarborg bij een onderhandse verkoop volgens een statutaire regeling niet zonder meer gegeven. De vraag of de belangen van de pandgever en andere schuldeisers bij deze, van art. 3:250 BW afwijkende, executoriale verkoop voldoende zijn gewaarborgd, dient daarom, mede met het oog op geschillen die in dit verband kunnen ontstaan, niet te worden beantwoord door belanghebbenden zoals de executerende pandhouder, maar – steeds – door de rechter.”
r.o. 3.5.5
“De art. 3:250 e.v. BW en 2:198 lid 6 BW moeten daarom zo worden uitgelegd dat ook bij de executoriale verkoop van aandelen door de pandhouder met inachtneming van een statutaire blokkeringsregeling de regeling van art. 3:250 e.v. BW van toepassing is. De art. 3:250 e.v. BW zijn ook van toepassing op de executoriale verkoop van aandelen die onderworpen zijn aan de aanbiedingsregeling van art. 2:195 lid 1 BW (vgl. MvT, Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 60).”
r.o. 3.5.6
“Met art. 2:198 lid 6 BW heeft de wetgever duidelijk willen maken dat statutaire blokkeringsregelingen bij de executie van het pand moeten worden nageleefd (zie o.a. Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 2, p. 1275). Wet en wetsgeschiedenis bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat art. 2:198 lid 6 BW in het geval van een statutaire blokkeringsregeling een exclusieve regeling bevat voor de executoriale verkoop van aandelen door de pandhouder of dat art. 2:198 lid 6 BW een bijzondere regeling vormt ten opzichte van de algemene executiebepalingen in die zin dat alleen indien de naleving van de statutaire blokkeringsregeling niet tot resultaat leidt, de pandhouder de executie dient te vervolgen met inachtneming van art. 3:250 e.v. BW.”
r.o. 3.5.7