← Week 26

Hoge Raad · 28 juni 2019

Bestuurdersaansprakelijkheid bij aandelenverkoop zonder instemming; schadeberekening en hypothetische verkoopprijs

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een bestuurder verkocht de aandelen van een dochtermaatschappij zonder de vereiste instemming van de medebestuurder-aandeelhouder en werd daarvoor onrechtmatig handelen verweten. De Hoge Raad laat de aansprakelijkheid van de bestuurder in stand, maar vernietigt de schadebegroting: het hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat de medeaandeelhouder instemde met verkoop voor een bepaalde prijs en is niet ingegaan op de stelling dat bij het wegdenken van de normschending pas later was verkocht. De zaak wordt verwezen.

Kernoverwegingen

“De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”

r.o. 3.2

“Deze klacht slaagt. Weliswaar vermeldt [betrokkene 1] in de faxbrief van 6 augustus 2001 (weergegeven hiervoor in 2.1 onder (x)) “nu zou de vraagprijs toch minimaal 35 mio moeten zijn”, maar het vervolg van die faxbrief wijst zo duidelijk erop dat [betrokkene 1] van mening was dat verkoop op een later moment zou moeten plaatsvinden, dat het zonder nadere motivering onbegrijpelijk is hoe het hof heeft kunnen oordelen dat [verweerster 1] uit (alleen) deze faxbrief redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat [betrokkene 1] instemde met directe verkoop voor f 35 miljoen. Veeleer ligt het voor de hand om de opmerking over de ‘vraagprijs nu’ slechts op te vatten als een inschatting van de waarde van de aandelen op 6 augustus 2001. Aan die inschatting had [betrokkene 1] bovendien de woorden “toch minimaal” verbonden. Het voorgaande wordt niet anders doordat het hof in rov. 4.13 ook verwijst naar latere faxbrieven van [betrokkene 1] van 19 september en 9 en 15 oktober 2001. Het hof overweegt niet in welk opzicht deze faxbrieven steun bieden aan zijn oordeel, dat vooral is gebaseerd op de faxbrief van 6 augustus 2001. Het hof vermeldt in zijn arrest van 12 november 2013 niets over de inhoud van de faxbrief van 19 september 2001, en uit de hiervoor in 2.1 onder (xiii) genoemde faxbrief van [betrokkene 1] aan [betrokkene 4] van 15 oktober 2001 (waarop het hof kennelijk doelt) volgt vooral dat [betrokkene 1] het vertrouwen in [betrokkene 4] opzegde. De faxbrief van 9 oktober 2001 (zie […]”

r.o. 4.2.2

“Bij schadeberekening is uitgangspunt dat de benadeelde zoveel als mogelijk moet worden gebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Blijkens rov. 2.7 van het eindarrest dient rov. 4.13 van het tussenarrest van 12 november 2013, voor zover die overweging de schadeberekening betreft, aldus te worden begrepen dat het bedrag van f 35 miljoen de hypothetische verkoopprijs is voor de situatie dat de normschending niet zou hebben plaatsgevonden. Daarmee is het hof kennelijk uitgegaan van het (juiste) criterium dat de schade dient te worden vastgesteld door een vergelijking van de feitelijke situatie (waarin de normschending heeft plaatsgevonden) met de hypothetische situatie waarin de normschending zou zijn uitgebleven. Indien echter op of omstreeks 19 oktober 2001 geen gegadigde bereid zou zijn geweest om een bedrag van f 35 miljoen voor de aandelen te betalen, zoals de klacht onder verwijzing naar de stukken betoogt, kan het wegdenken van de normschending niet leiden tot de door het hof aangenomen hypothetische verkoop op die datum voor een bedrag van f 35 miljoen. Het hof is immers niet ingegaan op het standpunt van (in ieder geval) Igvo dat de aandelen in die periode niet voor een bedrag van f 35 miljoen hadden kunnen worden verkocht; het heeft volstaan met de overweging dat [betrokkene 1] bereid was de aandelen voor dit bedrag te verkopen (zie daarover echter hiervoor in 4.2.2). Niet begrijpelijk is hoe […]”

r.o. 4.3.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1042
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
28 juni 2019
Datum publicatie
28 juni 2019
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 26 van 2019

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.