Hoge Raad · 19 juli 2019
Aansprakelijkheid opvolgend bestuurder wegens niet nagekomen stortingsplicht; motiveringsgebrek tussen- en eindarrest
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Leveranciers van een failliete bouwvennootschap stellen de bestuurder van de (middellijk) bestuurder aansprakelijk, omdat het minimumkapitaal niet daadwerkelijk zou zijn gestort (artikel 2:180 lid 2 (oud) en artikel 2:11 BW). Het hof wees de vordering af wegens te summiere stellingen. De Hoge Raad vernietigt dat arrest, omdat het eindarrest niet te rijmen is met het tussenarrest zonder toelichting op de koerswijziging, en verwijst de zaak naar een ander hof.
Kernoverwegingen
“Onderdeel 3 klaagt onder meer dat het hof een merkwaardige tournure maakt in rov. 2.3-2.6 van het eindarrest in het licht van rov. 4.17-4.18 van het tussenarrest. De motivering van het hof in het eindarrest is onbegrijpelijk, waar het hof in rov. 2.3 van het eindarrest overweegt dat Aabo over de stortingsplicht in eerste aanleg nauwelijks iets heeft gesteld, terwijl uit de rov. 4.5, 4.6 en 4.8 van het tussenarrest geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat het hof de stellingen van Aabo in voldoende mate uit de gedingstukken heeft kunnen afleiden, en dat het hof van oordeel was dat Aabo had voldaan aan haar stelplicht. In het eindarrest is het hof afgeweken van die lijn.”
r.o. 3.1
“Het hof heeft in rov. 4.18 van het tussenarrest specifiek vermeld op welke punten [verweerder] inlichtingen moest verstrekken. Het hof is daarbij kennelijk ervan uitgegaan dat het de kernvraag, namelijk of het teruggeboekte geld ter beschikking aan [B] (i.o.) is blijven staan, niet zonder deze inlichtingen kon beantwoorden. In het eindarrest overweegt het hof dat Aabo in eerste aanleg ‘nauwelijks iets heeft gesteld’ (rov. 2.3) en dat het door haar gestelde ‘summier is’ (rov. 2.5). Het hof bespreekt niet de inlichtingen die [verweerder] in zijn akte heeft gegeven naar aanleiding van de door het hof gestelde vragen, en wat daaruit is af te leiden voor de beantwoording van de kernvraag. Dit is niet zonder meer te rijmen met de overwegingen in het tussenarrest, en de daarin door het hof aan [verweerder] voorgelegde vragen. Bovendien is niet duidelijk welke (aanvullende of meer gedetailleerde) stellingen van Aabo het hof op het oog had, welke stellingen het hof miste en waarom het hof in het tussenarrest dan geen vragen aan Aabo heeft gesteld. Aabo heeft haar vordering tijdens de procedure aangevuld met een beroep op art. 2:180 lid 2, onder b, (oud) BW. Aabo verwees hierbij naar het verslag van de curator, dat Aabo niet eerder kon overleggen dan zij heeft gedaan en waarin de curator vaststelde dat niet was voldaan aan de stortingsplicht. Vervolgens heeft [verweerder] in eerste aanleg niet betwist dat niet was voldaan aan de stortingsplicht. In eerste aanleg was er dan ook geen […]”
r.o. 3.2