Hoge Raad · 4 oktober 2019
Verjaring en stuiting bij interne bestuurdersaansprakelijkheid wegens ongesecureerde lening
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vennootschap vordert van haar voormalige bestuurder en de indirect bestuurder schadevergoeding wegens een zonder zekerheden verstrekte lening, op grond van onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 en 2:11 BW). Rechtbank en hof honoreerden het beroep op verjaring. De Hoge Raad vernietigt, omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een eerdere e-mail en latere brief de verjaring niet hebben gestuit, en verwijst de zaak.
Kernoverwegingen
“De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling kan mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen.”
r.o. 3.1.2
“Het hof heeft in rov. 6.11 overwogen dat in de brief van 11 september 2008 of in de overige correspondentie tussen 18 april 2008 en 12 januari 2009, waarnaar Pluvezo verwijst, niet iets is te vinden waaruit [verweerder] (laat staan [verweerster 1] , waaraan de correspondentie niet is gericht) had moeten begrijpen dat [betrokkene] een vordering uit onbehoorlijk bestuur op hem pretendeerde te hebben. In rov. 6.1 onder l heeft het hof een gedeelte van de e-mail van 18 april 2008 geciteerd (hiervoor weergegeven in 2.1 onder (viii)). Die e-mail houdt naast dit door het hof geciteerde gedeelte samengevat de volgende passages in (zie voor de meer uitvoerige tekst de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.11): - [verweerder] heeft toegestaan dat zijn zoon “emailtjes ging sturen naar kantoor om steeds regelmatiger grote bedragen van de rekening van Pluvezo BV over te laten boeken naar rekeningen van [verweerder] bedrijven (…) en daar werden dan later als het geld niet terugkwam leenovereenkomsten voor gemaakt zonder medeweten en toestemming (vooraf of achteraf) van de aandeelhouder”. - Dit gebeurde “zonder enige zekerheid te stellen naar Pluvezo BV”. - Het ging over zeer grote bedragen, die geen enkele bank zonder hypothecaire zekerheden zou uitlenen, en dat maakt dat “de toenmalige directie hier schuldig is aan grove nalatigheid jegens Pluvezo en derhalve verantwoordelijk is voor de uiteindelijke schade die hieruit is voortgevloeid”. Een en ander is niet anders te begrijpen dan […]”
r.o. 3.1.3
“Pluvezo heeft aangevoerd, kort gezegd, dat gelezen in het licht van de e-mail van 18 april 2008 en de correspondentie in de tussenliggende periode ook de brief van 11 september 2008 valt te betrekken op de in die e-mail gepretendeerde vordering uit onbehoorlijk bestuur. Gelet op de hiervoor in 3.1.2 vermelde rechtspraak is dit een stelling waaraan het hof niet zonder motivering kon voorbijgaan. Het hof is evenwel niet op die stelling ingegaan. Onderdeel 1 onder A is derhalve gegrond. Onderdeel 1 onder B behoeft geen behandeling.”
r.o. 3.1.4