← Week 40

Hoge Raad · 4 oktober 2019

Ontslag predikant: inrichtingsvrijheid kerkgenootschap en dwingend arbeidsrecht (artikel 2:2 BW)

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een kerkgenootschap ontsloeg een predikant op grond van de eigen kerkelijke regelingen. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 2:2 lid 2 BW een kerkgenootschap inrichtingsvrijheid geeft om de rechtsverhouding met een geestelijk ambtsdrager naar eigen inzicht vorm te geven. Daarbij mag het afwijken van dwingend recht, tenzij dat recht een belang van fundamentele aard beschermt. Het hof had ten onrechte het dwingende arbeidsrecht laten prevaleren; de zaak wordt verwezen.

Kernoverwegingen

“Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap, waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s). Uit art. 2:2 lid 2 BW volgt dat het eigen statuut alleen geldt voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip ‘wet’ in deze bepaling verwijst naar bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’, waarbij is gedacht aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’.”

r.o. 3.2

“Gelet op het voorgaande brengt de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid mee dat een kerkgenootschap de rechtsverhouding tot een geestelijk ambtsdrager in zijn statuut in beginsel naar eigen inzicht kan vormgeven. Daarbij is afwijking van dwingend recht mogelijk, tenzij dat recht een belang van zo fundamentele aard beschermt dat afwijking van dat dwingend recht in de omstandigheden van het geval, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard.”

r.o. 3.3

“Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 2.1 onder (ii)-(v) is vermeld, kent NGK Hattem eigen regelingen over de rechtsverhouding tot zijn predikant. Die verhouding is een interne kerkelijke verhouding, die NGK Hattem in zijn statuut heeft vormgegeven. Met de daarin voorkomende bepalingen is onmiskenbaar beoogd de toepasselijkheid van de bepalingen van titel 10 van Boek 7 BW op die verhouding uit te sluiten. De in die bepalingen uitgewerkte ontslagregeling wijkt niet zodanig af van het dwingend recht waarop de predikant zich in dit geding beroept (zie hiervoor in 2.2) dat daardoor belangen van fundamentele aard worden geschonden.”

r.o. 3.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1531
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
4 oktober 2019
Datum publicatie
4 oktober 2019
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:2 BW, 7:610 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 40 van 2019

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.