← Week 10

Hoge Raad · 8 maart 2019

Enquête Curaçao: reikwijdte onderzoek en overgangsrecht enquêterecht

  • Enquêterecht
  • Uitkoop
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De Hoge Raad oordeelt in een Curaçaose enquêtezaak dat een enquête mede kan berusten op feiten van vóór de inwerkingtreding van het enquêterecht. Het te bevelen onderzoek moet gericht zijn op de bezwaren die tot de gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid leiden, maar mag ook andere bezwaren omvatten als die voldoende samenhang vertonen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“Uit de hiervoor in 3.3.2 genoemde uitspraak volgt dat een enquête kan worden gelast (mede) op basis van feiten die zich hebben voorgedaan vóór 1 januari 2012. Daarop stuiten alle klachten van het onderdeel af.”

r.o. 3.3.3

“Bij de beoordeling van deze klacht dient tot uitgangspunt dat de regeling van het enquêterecht van het BWC (art. 2:270-286 BWC) is ontleend aan die van het Nederlandse BW (art. 2:344-2:359 BW) en dat de verschillen tussen beide regelingen voor het hier te beslissen geval niet relevant zijn (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.8). Mede gelet op het concordantiebeginsel dient de regeling van het enquêterecht van het BWC in dit geval dan ook op dezelfde wijze te worden uitgelegd als de regeling van het enquêterecht van het BW.”

r.o. 3.4.2

“Uit de passages in de wetsgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht van het BW, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9 en 3.11, kan in de eerste plaats worden afgeleid dat slechts bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon die in de fase van het bezwaar (als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en art. 2:273 BWC) naar voren zijn gebracht, ten grondslag kunnen worden gelegd aan de toewijzing van een verzoek om een enquête te gelasten. In overeenstemming hiermee is in HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574 (Bab), rov. 5.3.2, overwogen dat de fase van het bezwaar ertoe strekt te waarborgen dat de rechtspersoon op de hoogte wordt gesteld van de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken, zodat zij gelegenheid heeft die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te treffen; aldus wordt voorkomen dat zij rauwelijks in rechte wordt betrokken. Uit de hiervoor bedoelde passages kan in de tweede plaats worden afgeleid dat indien de ondernemingskamer een enquête gelast, het door haar te bevelen onderzoek in ieder geval dient te zijn gericht op de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken die de ondernemingskamer blijkens haar uitspraak tot het oordeel hebben gebracht dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Het verslag van het onderzoek naar de feiten en omstandigheden waarop die bezwaren rusten, vormt immers weer de grondslag voor de rechterlijke oordeelsvorming over de vraag […]”

r.o. 3.4.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2019:316
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
8 maart 2019
Datum publicatie
8 maart 2019
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:270 BWC, 2:271 BWC, 2:273 BWC, 2:274 BWC, 2:282 BWC, 2:283 BWC, 2:344 BW, 2:349 BW, 2:359 BW, 2:250 BWC, 2:7 BWC
Thema
Enquêterecht, Uitkoop
Aangesproken
["n.v.t."]
Weekoverzicht
Week 10 van 2019

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.