Hoge Raad · 19 april 2019
Bestuurdersaansprakelijkheid na dividenduitkering door borg; cassatieberoep bank verworpen (artikel 81 RO)
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een bank stelde bestuurders van een vennootschap die borg stond voor een lening van een andere vennootschap aansprakelijk uit onrechtmatige daad, omdat zij dividend aan aandeelhouders hadden uitgekeerd en daarmee het verhaal van de bank zouden hebben doorkruist. Het hof had het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO, zonder nadere motivering.
Kernoverweging
“Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4 Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de bank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 6.662,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 19 april 2019 .”
r.o. 3