Hoge Raad · 5 juni 2020
Opheffing faillissement bij gebrek aan baten en Garantstellingsregeling curatoren bij vordering ex artikel 2:248 BW
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Het faillissement van een vennootschap is opgeheven wegens gebrek aan baten, waartegen schuldeisers opkomen omdat de curator een mogelijke vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:248 BW) onvoldoende zou hebben onderzocht. De Hoge Raad bevestigt dat de schuldeisers aannemelijk moeten maken dat nog baten aanwezig zijn en dat het beroep op de Garantstellingsregeling curatoren 2012 aan de curator is. Omdat de boedel leeg is en verhaal niet aannemelijk is gemaakt, wordt het cassatieberoep verworpen.
Kernoverwegingen
“Art. 16 lid 1 Fw bepaalt dat indien niet voldoende baten beschikbaar zijn voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden, de rechtbank op voordracht van de rechter-commissaris de opheffing van het faillissement kan bevelen. De schuldeiser die op de voet van art. 18 Fw opkomt tegen de opheffing van het faillissement, dient daarom aannemelijk te maken dat nog wel voldoende baten in het faillissement aanwezig zijn voor de voldoening van de in art. 16 Fw genoemde kosten en schulden, zoals het hof (in rov. 3.9.2) terecht tot uitgangspunt heeft genomen.”
r.o. 3.2.1
“De in het middel genoemde Garantstellingsregeling curatoren 2012 berust onder meer op art. 2:248 lid 10 BW in verbinding met art. 2:138 lid 10 BW. Deze regeling voorziet in de mogelijkheid van het verkrijgen van een voorschot voor het instellen van een rechtsvordering op grond van onder meer art. 2:138 BW en art. 2:248 BW en voor het instellen van een verhaalsonderzoek of vooronderzoek naar de mogelijkheden daartoe, indien de boedel daarvoor ontoereikend is. Voor het verkrijgen van deze garantstelling is blijkens de Garantstellingsregeling curatoren 2012 en de toelichting daarop vereist dat sprake is van een rechtsvordering of onderzoek waarvan vooraf redelijkerwijs kan worden ingeschat dat de daaraan verbonden kosten in redelijke verhouding staan tot de te verwachten opbrengst. Het doen van een verzoek tot een garantstelling op grond van de regeling is aan de curator, die daarbij laatstgenoemde inschatting zal moeten maken.”
r.o. 3.2.2
“Zoals hiervoor in 2.4 is vermeld, heeft de curator met betrekking tot de mogelijke vordering op [belanghebbende] op grond van art. 2:248 BW aangevoerd dat hij geen aanwijzingen ziet dat verhaal op [belanghebbende] mogelijk is, en dat hij om die reden evenmin heil ziet in een beroep op de Garantstellingsregeling curatoren 2012. Blijkens de aanvang van rov. 3.9.6 (‘Voldoende duidelijkheid op het punt van mogelijk concreet verhaal is ook tijdens de mondelinge behandeling niet gebleken’) en het slot van rov. 3.9.8 (‘het kunnen uitwinnen van mogelijke, zich in het buitenland bevindende baten is daarmee verre van zeker’) is het hof kennelijk van oordeel geweest dat [verzoeksters], in het licht van dit betoog van de curator, niet aannemelijk hebben gemaakt dat nog wel voldoende aanwijzingen voor verhaalsmogelijkheden bestaan. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.”
r.o. 3.2.3