← Week 29

Hoge Raad · 17 juli 2020

Verjaring vordering op na faillissement opgehouden rechtspersoon: verlengingsgrond artikel 3:320 BW

  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een bank vordert betaling van een borg nadat de hoofdschuldenaar, een failliete holding-bv, na afwikkeling van het faillissement is ontbonden en opgehouden te bestaan. De Hoge Raad oordeelt dat, ondanks artikel 2:23a lid 5 BW, ook in dit geval gedurende de periode dat de rechtspersoon niet bestaat een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 3:320 BW geldt. De vordering op de rechtspersoon is daardoor niet verjaard en de borgtocht blijft bestaan.

Kernoverwegingen

“In art. 2:23c lid 2 BW en art. 2:19a lid 8 BW zijn verlengingsgronden als bedoeld in art. 3:320 BW opgenomen voor gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden en is opgehouden te bestaan, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de rechtspersoon op enig moment herleeft. Het gaat daarbij om (i) de gevallen waarin de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon heeft plaatsgevonden en nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt (art. 2:23c lid 2 BW) en om (ii) de gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden door een beschikking van de Kamer van Koophandel en die beschikking aan vernietiging blootstaat (art. 2:19a lid 8 BW). Voor deze gevallen geldt gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan een verlengingsgrond. In de wetsgeschiedenis zijn deze bepalingen aldus toegelicht dat een speciale voorziening moet worden getroffen voor het geval een verjaringstermijn zou aflopen in de periode dat de rechtspersoon had opgehouden te bestaan. De regeling van art. 2:23c lid 2 BW heeft de strekking om te voorkomen dat rechtsvorderingen op een niet meer bestaande rechtspersoon verjaren zolang de vereffening van die rechtspersoon niet is heropend op de voet van art. 2:23c lid 1 BW. Daarbij is heropening van de vereffening geen vereiste voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn. Ook behoeft verjaring van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon […]”

r.o. 3.4

“Bij heropening van de vereffening in faillissement van een rechtspersoon op grond van art. 194 Fw, doet zich in zoverre eenzelfde situatie voor als bij heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW, dat in beide gevallen de rechtspersoon die is opgehouden te bestaan herleeft, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Art. 2:23a lid 5 BW bepaalt evenwel dat de regeling van art. 2:23a-23c BW niet van toepassing is op vereffening in faillissement. Daaruit volgt dat de verlengingsgrond van art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW niet geldt indien, zoals in het onderhavige geval, een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en, nadat de vereffening van zijn vermogen in faillissement is geëindigd, is opgehouden te bestaan. Ook overigens voorziet de wet voor een geval als dit niet in een verlengingsgrond.”

r.o. 3.5.1

“Uit de wetsgeschiedenis van art. 2:23a lid 5 BW en art. 2:23c lid 2 BW blijkt echter niet dat de wetgever voor een geval als het onderhavige heeft beoogd om gedurende de periode waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, geen verlengingsgrond te laten gelden als bedoeld in art. 3:320 BW. In het bijzonder lijkt bij de latere invoering van art. 2:23c lid 2 BW niet onder ogen te zijn gezien dat de in die bepaling bedoelde verlengingsgrond niet zou gelden als een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is opgehouden te bestaan ingevolge art. 2:19 lid 1 aanhef en onder c, BW in verbinding met art. 137f Fw of art. 173 Fw, maar wel als een rechtspersoon is opgehouden te bestaan op een andere grond. Dat in een geval als het onderhavige geen verlengingsgrond zou gelden, ligt, gelet op het doel en de strekking van verlengingsgronden in het algemeen (zie hiervoor in 3.2) en in gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden en heeft opgehouden te bestaan in het bijzonder (zie hiervoor in 3.4), niet in de rede. Het gaat immers om een schuldeiser die zijn rechtsvordering, door de bijzondere omstandigheid dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, niet geldend kan maken, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de schuldeiser dat op een later moment wel kan, en terwijl bezwaarlijk kan worden verlangd dat de schuldeiser de verjaring van de rechtsvordering stuit in de periode dat de rechtspersoon niet meer bestaat.”

r.o. 3.5.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1310
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
17 juli 2020
Datum publicatie
17 juli 2020
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:19 BW, 2:19a BW, 2:23a BW, 2:23c BW, 3:320 BW, 3:307 BW, 7:853 BW
Thema
Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
Weekoverzicht
Week 29 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.