Hoge Raad · 6 november 2020
Uitkoopprijs artikel 2:201a BW: abstraheren van benadelende handelingen van uitkopende aandeelhouder
- Uitkoop
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een meerderheidsaandeelhouder koopt de minderheidsaandeelhouder uit op grond van artikel 2:201a BW. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter bij het vaststellen van de uitkoopprijs mag abstraheren van eerdere handelingen van de uitkopende aandeelhouder die de waarde van de aandelen ten nadele van de uit te kopen aandeelhouder hebben verminderd. Het doel is een reële en redelijke vergoeding. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De wetgever heeft in art. 2:201a BW een regeling getroffen waardoor het de in het eerste lid van deze bepaling bedoelde grootaandeelhouder mogelijk wordt gemaakt in een eenvoudige procedure de andere aandeelhouder(s) uit te kopen en daardoor de overige aandelen te verwerven. Art. 2:201a lid 5 BW bepaalt dat de rechter de prijs vaststelt die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat aan de uitgekochte aandeelhouder een reële en redelijke vergoeding wordt toegekend. Dit strookt ermee dat op grond van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM de vastgestelde prijs van de over te dragen aandelen gerelateerd aan hun waarde ten minste redelijk moet zijn (“reasonably related”). Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever voor de vaststelling van de prijs van aandelen in een uitkoopprocedure anderszins een bepaald waardebegrip of een bepaalde wijze van waardevaststelling voor ogen heeft gestaan. De rechter komt bij de keuze voor een waardebegrip of een wijze van waardevaststelling vrijheid toe. De aard en de strekking van art. 2:201a BW verzetten zich dan ook niet ertegen dat de rechter, met het doel te komen tot een reële en redelijke vergoeding, bij het vaststellen van de prijs van de over te dragen aandelen, abstraheert van de gevolgen van handelingen van de uitkopende aandeelhouder die hebben plaatsgevonden voor de in art. 2:201a lid 5 BW bedoelde dag en die de waarde van de aandelen […]”
r.o. 3.2
“In dit geval heeft de ondernemingskamer bij de vaststelling van de prijs van de over te dragen aandelen op de voet van art. 2:201a lid 5 BW, geabstraheerd van een aantal – door [verweerder] gestelde en (naar het oordeel van de ondernemingskamer) door [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwiste – handelingen die [eiser] als bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van [A] voor 5 juli 2016 heeft verricht en waarmee hij – naar in cassatie niet is bestreden – zichzelf heeft bevoordeeld en [A] en [verweerder] heeft benadeeld. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, heeft de ondernemingskamer daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”
r.o. 3.3