← Week 17

Hoge Raad · 24 april 2020

Verbod Bandidos-motorclub: corporatiebegrip en reikwijdte verbod voor zelfstandige chapters

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Het openbaar ministerie vroeg verbod en ontbinding van de Nederlandse afdeling van een internationale motorclub wegens strijd met de openbare orde, en een verklaring voor recht over de internationale organisatie. De Hoge Raad bevestigt dat hoge eisen gelden voor een verzoek op grond van artikel 10:122 BW en dat het hof het corporatiebegrip juist toepaste. Een verbod op grond van artikel 2:20 BW treft alleen de rechtspersoon tegen wie het verzoek is gedaan, en dus niet lokale afdelingen die zelf informele vereniging en rechtspersoon zijn.

Kernoverwegingen

“Als het OM een verzoek doet op de voet van art. 10:122 lid 1 BW, moet het stellen en, zo nodig, onderbouwen dat sprake is van een ‘corporatie’ in de zin van art. 10:117, onder a, BW. Welke eisen in dit verband kunnen worden gesteld aan de stelplicht van het OM en in hoeverre het OM zijn stellingen moet onderbouwen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat met toewijzing van een op de voet van art. 10:122 lid 1 BW gedaan verzoek vaststaat dat het doel of de werkzaamheid van de desbetreffende corporatie in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW, waarna deelname in Nederland aan de werkzaamheden van de corporatie strafbaar is. In dit verband is van belang dat de in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting grondbeginselen zijn van de democratische rechtsstaat, en dat het voor recht verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW een ernstige inbreuk op deze grondrechten betekent, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Daarom moeten hoge eisen worden gesteld aan een verzoek op de voet van art. 10:122 BW en de motivering en onderbouwing daarvan. Uit die motivering en onderbouwing moet onder meer blijken dat sprake is van een corporatie zoals bedoeld in art. 10:122 BW. Het hof heeft het voorgaande […]”

r.o. 3.2.6

“Het hof heeft – anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt – niet als vereiste gesteld dat een bepaalde mate van hiërarchie of organisatiestructuur moet bestaan, maar heeft aan de hand van omstandigheden die (mede) te maken hebben met hiërarchie en organisatiestructuur – en waarop het OM een beroep heeft gedaan – beoordeeld of voldaan is aan het vereiste van art. 10:122 BW dat het moet gaan om een corporatie (en dus om een als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam of samenwerkingsverband). Aldus heeft het hof niet te hoge of onjuiste eisen gesteld aan het zijn van een corporatie.”

r.o. 3.2.8

“De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Uit art. 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is. Opmerking verdient nog dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat aan het bestaan van een informele vereniging niet te zware eisen moeten worden gesteld.”

r.o. 3.4.1

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2020:797
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
24 april 2020
Datum publicatie
24 april 2020
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:20 BW, 2:26 BW, 2:30 BW, 10:117 BW, 10:122 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
Weekoverzicht
Week 17 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.