← Week 22

Hoge Raad · 29 mei 2020

Bestuurdersaansprakelijkheid: hof miskent betwisting en devolutieve werking bij ernstig persoonlijk verwijt

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een schuldeiser stelde de bestuurders van twee vennootschappen persoonlijk aansprakelijk omdat zij zouden hebben bewerkstelligd dat de vennootschappen geen verhaal bieden. Het hof wees dit toe, omdat de bestuurders geen verweer zouden hebben gevoerd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de in eerste aanleg gevoerde betwisting op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep had moeten betrekken, en vernietigt wegens onvoldoende motivering van het ernstig persoonlijk verwijt.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 1.2 van het middel richt onder meer een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.11 dat de bestuurders geen verweer hebben gevoerd tegen het verwijt dat zij gelden hebben weggesluisd. In eerste aanleg en hoger beroep zijn over de besteding door [A en B] c.s. van de door [verweerster] betaalde bedragen door de bestuurders wel degelijk stellingen aangevoerd en uitgewerkt, aldus de klacht. In het verlengde hiervan klaagt onderdeel 1.3 onder meer erover dat het hof het verweer van de bestuurders niet kenbaar heeft betrokken bij zijn beoordeling van de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders in rov. 3.11. Omdat dit verweer relevant is voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het vereiste dat de bestuurders een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden, heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht. Met betrekking tot deze klachten verwijst het middel, onder vermelding van vindplaatsen in de processtukken zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, naar de volgende stellingen: a. dat [verweerster] de betaalde bedragen ook zelf als “investering” aanmerkt; b. dat er vanaf april 2015 bij [A] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat de voorschotten niet meer terugbetaald behoefden te worden en [A] vanaf die datum ook zwaardere (financiële) verplichtingen kon aangaan (het bijwonen van beurzen en het verder ontwikkelen van het product) en de betalingen op dat moment ook niet meer op basis van de Term Sheet […]”

r.o. 3.1.1

“De bestuurders hebben reeds in eerste aanleg de in het middel vermelde stellingen a, b en c aangevoerd ter betwisting van de jegens [A en B] c.s. ingestelde vordering tot terugbetaling en de in samenhang daarmee ingestelde, voor het overige identieke, vordering tot hoofdelijke veroordeling van de bestuurders in persoon tot betaling van dat bedrag. Deze stellingen lichten vanuit verschillende invalshoeken toe wat met de door [verweerster] aan [A en B] c.s. betaalde bedragen is gedaan en waarom, zodat daarin besloten ligt dat zij mede strekken ter betwisting van een de bestuurders te maken verwijt. Toen [verweerster] in hoger beroep de grondslag voor de vordering jegens de bestuurders toespitste op bestuurdersaansprakelijkheid – voor het aannemen waarvan is vereist dat de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden – had het hof bij de beoordeling daarvan op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep deze betwisting moeten betrekken. Omdat de door de bestuurders voor het eerst in hoger beroep aangevoerde stellingen zoals vermeld in het middel onder d-g, enkel neerkomen op een nadere uitwerking of precisering van de in eerste aanleg in het kader van die betwisting aangevoerde stellingen, had het hof ook die stellingen d-g in zijn beoordeling moeten betrekken. Tegen de achtergrond van het voorgaande is niet begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de bestuurders geen verweer hebben gevoerd tegen de stellingen van [verweerster] dat hun een […]”

r.o. 3.1.3

“Het arrest kan derhalve niet in stand blijven. Bij deze stand van zaken behoeft onderdeel 3, dat is gericht tegen het passeren van het bewijsaanbod van de bestuurders in rov. 3.13, geen behandeling.”

r.o. 3.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2020:984
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
29 mei 2020
Datum publicatie
29 mei 2020
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 22 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.