← Week 39

Hoge Raad · 1 oktober 2021

Uitkoop: verzettermijn buitenlandse aandeelhouders en oproeping bij processueel ondeelbare rechtsverhouding

  • Uitkoop
  • Aandelenwaardering
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een uitkoopprocedure ex artikel 2:92a BW stellen buitenlandse minderheidsaandeelhouders verzet in tegen een verstekarrest. De Hoge Raad oordeelt dat de verzettermijn acht weken bedraagt, ook als de woonplaats van de buiten Nederland wonende aandeelhouders niet bekend is. Hij bevestigt dat de rechtsverhouding tussen uitkoper en uit te kopen aandeelhouders processueel ondeelbaar is, ook voor de prijsvaststelling. De verzettende aandeelhouders moeten de overige aandeelhouders oproepen, niet de uitkoper.

Kernoverwegingen

“Uit de hiervoor in 3.1.4 geciteerde passage blijkt dat de wetgever met de invoering van art. 55 lid 2 Rv heeft beoogd de mogelijkheden te verruimen om in het geval van een in het buitenland wonende gedaagde een verzettermijn te doen aanvangen. Dit wordt bereikt door onder omstandigheden een betekening op de voet van art. 55 Rv aan te merken als een betekening in persoon. Deze verruiming betreft slechts gedaagden met een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland, omdat slechts aan zodanige personen kan worden betekend op de voet van art. 55 Rv. De wetgever heeft, zoals blijkt uit de hiervoor in 3.1.3 geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis, wegens de verstrekkende consequenties die het stelsel van art. 55 lid 2 Rv voor met name de aanvang van de verzettermijn kan hebben, in dergelijke gevallen een verdubbeling van de verzettermijn op haar plaats geacht. Eenzelfde verdubbeling van de verzettermijn is ingevoerd voor de gedaagde met bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf buiten Nederland die een daad van bekendheid verricht. Hieruit blijkt dat de wetgever praktische belemmeringen zag voor in het buitenland wonende gedaagden bij het instellen van het rechtsmiddel van verzet, die rechtvaardigen dat voor hen een langere verzettermijn geldt dan voor gedaagden die in Nederland wonen. Diezelfde praktische belemmeringen doen zich voor bij gedaagden die bij aanvang van de verzettermijn buiten Nederland wonen of verblijven, maar van wie op […]”

r.o. 3.1.5

“Deze klachten falen. Een vordering als bedoeld in art. 2:92a BW kan slechts worden ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders (art. 2:92a lid 1 BW). Een dergelijke vordering dient tegen alle verweerders te worden afgewezen, indien zich ten aanzien van een van hen een situatie als bedoeld in lid 4 van dat artikel voordoet. Hieruit volgt dat de wetgever het rechtens noodzakelijk heeft geacht dat een beslissing over een vordering op grond van art. 2:92a BW in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen. Dit geldt eveneens voor de vaststelling van de prijs van de over te nemen aandelen, nu deze vaststelling deel uitmaakt van de beslissing van de rechter op de hiervoor bedoelde, uitsluitend tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders in te stellen vordering. De ondernemingskamer heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen de uitkoper en de uit te kopen aandeelhouders processueel ondeelbaar is.”

r.o. 3.2.2

“Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Is overeenkomstig het hiervoor overwogene een partij de gelegenheid gegeven om de niet opgeroepen personen op de voet van art. 118 Rv in het geding te betrekken, maar maakt deze niet (of niet tijdig) van die gelegenheid gebruik, dan dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering respectievelijk het door haar aangewende rechtsmiddel.”

r.o. 3.3.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1407
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
1 oktober 2021
Datum publicatie
1 oktober 2021
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:92a BW
Thema
Uitkoop, Aandelenwaardering
Aangesproken
aandeelhouder
Weekoverzicht
Week 39 van 2021

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.