Hoge Raad · 15 juli 2022
Ontslag stichtingsbestuurder na bestuurscrisis; belang bij beroep op vernietigbaarheid; cassatie verworpen
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een bestuurder van een stichting is na een bestuurscrisis ontslagen en vorderde in kort geding. Het hof oordeelde dat hij geen belang had bij zijn beroep op de vernietigbaarheid van het ontslag. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie, zonder nadere motivering.
Kernoverweging
“Beoordeling van het middel De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SIO begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan. Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 15 juli 2022 .”
r.o. 2