Hoge Raad · 4 februari 2022
Art. 81 RO: bestuurders- en aandeelhoudersaansprakelijkheid, onrechtmatige dividenduitkeringen
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
In deze zaak heeft een curator een holding en twee natuurlijke personen aansprakelijk gesteld als bestuurders en aandeelhouder, wegens onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatige dividenduitkeringen. Het hof had het oordeel van de rechtbank bekrachtigd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie, zonder nadere motivering.
Kernoverweging
“Beoordeling van het middel De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt HHI c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 4 februari 2022 .”
r.o. 2