Hoge Raad · 4 november 2022
Enquêteverzoek niet op redelijke grond gedaan: maatstaf misbruik van procesrecht
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een aandeelhouder verzocht de OK om een enquête naar een vennootschap in een geschil over uitstel van een beursgang. De OK wees het verzoek af en oordeelde dat het niet op redelijke grond was gedaan. De Hoge Raad bevestigt dat een enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan als het misbruik van procesrecht oplevert, namelijk bij evidente ongegrondheid, en dat daarbij terughoudendheid past. De OK hanteerde de juiste maatstaf.
Kernoverwegingen
“Art. 2:350 lid 2 BW bepaalt dat de rechtspersoon tegen de verzoeker een eis kan instellen bij de ondernemingskamer tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het verzoek tot enquête lijdt, indien de ondernemingskamer dat verzoek afwijst en daarbij beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met art. 2:350 lid 2 BW is beoogd misbruik van het recht van enquête tegen te gaan. De voorwaarde voor het instellen van de hiervoor bedoelde eis tot schadevergoeding, te weten dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, vrijwaart een verzoeker die met normale zorgvuldigheid te werk gaat en de wettelijke voorschriften in acht neemt, van aansprakelijkheid. De ondernemingskamer kan ambtshalve beslissen dat een enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan.”
r.o. 3.2
“Uit het voorgaande volgt dat een verzoek tot enquête niet op redelijke grond is gedaan in de zin van art. 2:350 lid 2 BW als het doen van dit verzoek in de verhouding tot de rechtspersoon misbruik van procesrecht oplevert. Van zodanig misbruik is pas sprake als het doen van het verzoek tot enquête, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de rechtspersoon achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de verzoeker zijn verzoek tot enquête baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het doen van een verzoek tot enquête past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.”
r.o. 3.3
“De hiervoor in 3.4 weergegeven motivering komt erop neer dat Olympus haar verzoek heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden, en dat zij op die grond misbruik van haar bevoegdheid tot het doen van een enquêteverzoek heeft gemaakt. De ondernemingskamer heeft de in acht te nemen terughoudendheid bij het oordeel over misbruik van procesrecht door Olympus, gezien de in rov. 4.18 genoemde omstandigheden en de betrokken belangen van de vennootschap waarop het enquêteverzoek betrekking heeft, niet miskend.”
r.o. 3.5