Hoge Raad · 9 december 2022
Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder voor tekortschieten vennootschap; rechtsstrijd en ernstig verwijt
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een bestuurder is door het hof hoofdelijk naast zijn vennootschap aansprakelijk gehouden voor de schade door het tekortschieten van de vennootschap in een samenwerkingsovereenkomst, omdat hij door beledigende en lasterlijke uitingen de samenwerking frustreerde en daarmee ernstig verwijtbaar handelde. De Hoge Raad oordeelt dat het hof daarmee de grondslagen van de vordering niet heeft aangevuld, niet buiten de rechtsstrijd is getreden en geen verrassingsbeslissing heeft gegeven. Ook is de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid niet miskend. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“In het licht van het hiervoor in 3.1.2 weergegeven procesverloop is niet onjuist of onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat hetgeen OCS in hoger beroep aan haar vordering tegen [eiser] ten grondslag heeft gelegd onder meer erop neerkomt dat het optreden van [eiser] jegens haar onrechtmatig is geweest en dat daarvan aan [eiser] persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt. Met zijn oordeel dat [eiser] als bestuurder van Small Bite ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom persoonlijk (hoofdelijk naast Small Bite) aansprakelijk kan worden gehouden, heeft het hof toepassing gegeven aan de voor bestuurdersaansprakelijkheid geldende norm en op die grond de vordering uit onrechtmatige daad toewijsbaar geoordeeld. Het heeft aldus niet de grondslagen van de vordering van OCS aangevuld. Het is daarmee evenmin buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft geen ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. De klacht faalt.”
r.o. 3.1.3
“Deze klachten falen. Het hof heeft onderzocht of [eiser] persoonlijk een ernstig verwijt treft van het tekortschieten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst door Small Bite. In rov. 40-45 overweegt het hof, kort weergegeven, dat de problemen met de spaken van de afslankbeugel (zie hiervoor in 2.1 onder (v)) volgens OCS geen onoverkomelijk probleem hadden hoeven zijn, maar dat [eiser] niet met een oplossing wist te komen en geen inmenging duldde van OCS. Volgens het hof heeft Small Bite de samenwerking gaandeweg verder gefrustreerd doordat [eiser] zich steeds meer beledigend, grof, lasterlijk en mede daardoor oncoöperatief uitliet tegenover [betrokkene 1] en over hem naar derden. Small Bite heeft zo door het gedrag van haar bestuurder [eiser] een onwerkbare situatie gecreëerd waardoor de samenwerking is ontspoord. Dit gedrag van [eiser] als bestuurder heeft het hof vervolgens in rov. 50 gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar. Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn voldoende gemotiveerd.”
r.o. 3.2.2