Hoge Raad · 13 mei 2022
Matigingsgronden artikel 2:248 lid 4 BW limitatief opgesomd
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een faillissement worden een bestuurder en een indirect bestuurder aansprakelijk gehouden voor het boedeltekort wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. De Hoge Raad oordeelt dat de gronden voor matiging van die aansprakelijkheid in artikel 2:248 lid 4 BW limitatief zijn opgesomd, zodat de rechter geen andere omstandigheden hoeft te betrekken. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Art. 2:248 lid 4, eerste volzin, BW bepaalt dat de rechter het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn, kan verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaats vond (art. 2:248 lid 4, tweede volzin, BW).”
r.o. 3.1.2
“Zowel uit de tekst als uit de parlementaire geschiedenis van art. 2:248 lid 4, eerste volzin, BW blijkt dat de gronden voor vermindering van het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn, in deze bepaling limitatief zijn opgesomd. De hiervoor in 3.1.1 genoemde klacht faalt dus.”
r.o. 3.1.3