Hoge Raad · 3 februari 2023
Ernstig verwijt bij handelen in strijd met statuten zonder RvC-goedkeuring; motiveringsgebrek
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichting spreekt haar voormalig statutair bestuurder aan voor schade omdat deze een overeenkomst sloot zonder de statutair vereiste goedkeuring van de RvC. De Hoge Raad herhaalt dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW een ernstig verwijt vereist is, waarbij strijd met beschermende statutaire bepalingen zwaar weegt maar alle omstandigheden moeten worden betrokken. Het hof heeft verklaringen over verleende toestemming en het verweer van de bestuurder onvoldoende betrokken; het vonnis wordt vernietigd en de zaak teruggewezen.
Kernoverwegingen
“Deze klachten slagen. Uit de gedingstukken blijkt dat [verzoekster] met grief 9 is opgekomen tegen de beslissing van het gerecht dat niet is voldaan aan het vereiste van goedkeuring door de RvC. Ter toelichting op die grief heeft [verzoekster] onder meer een beroep gedaan op twee verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] die zij als productie 7 overlegde en waaruit volgens haar blijkt dat de leden van de RvC akkoord waren met de verlenging van het contract met Experentia. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat in [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] in deze verklaringen bevestigen dat zij op 5 mei 2017 als vice-voorzitter respectievelijk penningmeester van de RvC aan [verzoekster] als directeur van SSC toestemming hebben verleend om akkoord te gaan met het contract voor drie jaar ingaande 2017 van het bedrijf Experientia. Tevens bevestigen deze personen in die verklaringen dat de RvC ten tijde van het tekenen van dit contract bestond uit [de vice-voorzitter van de RvC] als vice-voorzitter en [lid van de RvC] als penningmeester. In het licht van een en ander is het oordeel van het hof dat toestemming van de RvC ontbrak zonder nadere motivering onbegrijpelijk, evenals de kennelijke aanname van het hof dat de RvC uit meer leden dan [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] bestond.”
r.o. 3.1.2
“Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW en zijn tegenhanger art. 2:14 (oud) BWC is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken.”
r.o. 3.3.2
“Van de hiervoor in 3.3.3 weergegeven, door [verzoekster] aangevoerde stellingen kan niet gezegd worden dat zij niet kunnen afdoen aan het oordeel dat [verzoekster] een ernstig verwijt valt te maken doordat zij de statuten niet heeft nageleefd. Door niet op deze stellingen in te gaan heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft miskend dat voor de vraag of [verzoekster] als bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt, alle omstandigheden van het geval bepalend zijn, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De overweging van het hof dat het verweer van [verzoekster] dat – samengevat – de overeenkomst past in het overheidsbeleid, niet betekent dat [verzoekster] daarmee de vrijheid had namens SSC de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder toestemming van de RvC, is in dit verband ontoereikend. Dat geldt ook voor de overweging dat dit te meer geldt omdat de overeenkomst aanmerkelijke financiële lasten meebracht voor SSC, die toch al in financieel zwaar weer verkeerde, en niet is gesteld of gebleken dat het aangaan daarvan bijzonder spoedeisend was. Het onderdeel is dus gegrond.”
r.o. 3.3.4