Hoge Raad · 22 december 2023
Uitkoop na openbaar bod: peildatum is datum betaalbaarstelling, geen strijd met EP
- Uitkoop
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na een openbaar bod op alle aandelen van een beursgenoteerde houdstermaatschappij vorderde de bieder uitkoop van de resterende aandeelhouders op grond van artikel 2:359c BW. De Hoge Raad oordeelt dat het uitgangspunt van de OK, dat de peildatum de datum van betaalbaarstelling onder het bod is, niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM. De minderheidsaandeelhouder wordt beschermd doordat hij recht heeft op een billijke prijs en op wettelijke rente vanaf de peildatum. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De wetgever heeft aldus, in navolging van art. 15 Overnamerichtlijn, in art. 2:359c BW een afweging gemaakt tussen de belangen van de minderheidsaandeelhouder die wordt gedwongen tot overdracht van zijn aandelen aan de meerderheidsaandeelhouder, en de belangen van de meerderheidsaandeelhouder die belang heeft bij het elimineren van minderheidsbelangen. De fundamentele rechten van de aandeelhouder die wordt uitgekocht, vinden bescherming doordat art. 2:359c BW de aandeelhouder aanspraak geeft op een billijke prijs voor zijn aandelen. Een dergelijke regeling is noch in strijd met art. 1 EP noch met art. 17 lid 1 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.”
r.o. 3.3
“De ondernemingskamer is vrij om in redelijkheid de peildatum voor de vaststelling van de (billijke) prijs te bepalen. De ondernemingskamer heeft in het Unit4-arrest overwogen dat zij in uitkoopprocedures die volgen op een openbaar bod, bij het bepalen van de peildatum aansluiting zoekt bij het bod. Meer in het bijzonder hanteert zij in die gevallen als uitgangspunt dat de peildatum gelijk is aan de datum van de betaalbaarstelling onder het bod, mits de bieder dan ten minste 95% van het geplaatste kapitaal (en ten minste 95% van de stemrechten) van de doelvennootschap houdt. Niet kan worden gezegd dat met de hantering van dit uitgangspunt de aandeelhouder in zijn algemeenheid niet een reële en redelijke vergoeding ontvangt voor zijn aandelen, die “reasonably related” is aan hun waarde. Indien de omstandigheden van het geval in andere richting wijzen, kan dat aanleiding zijn bedoeld uitgangspunt los te laten en zo nodig deskundigen te benoemen.”
r.o. 3.4
“Het weerlegbare vermoeden van art. 2:359c lid 6 BW houdt in dat de waarde van de bij het bod geboden tegenprestatie een billijke prijs vormt voor de door de minderheidsaandeelhouder over te dragen aandelen. Als aan de vereisten voor de toepassing van dit vermoeden is voldaan, kunnen door de minderheidsaandeelhouder aangevoerde argumenten ter zake van de peildatum waartegen de billijke prijs moet worden bepaald, betrokken worden bij de beoordeling of er redenen zijn om van dat vermoeden af te wijken.”
r.o. 3.5