Hoge Raad · 10 februari 2023
Enquêterecht Curaçao: wanbeleid emissies, voorzieningen en vennootschapsbelang bij joint venture
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure op Curaçao verzoekt een minderheidsaandeelhouder van twee joint venture-houdstermaatschappijen om vaststelling van wanbeleid bij aandelenemissies waardoor haar belang sterk verwaterde, en om voorzieningen zoals ontslag van de bestuurder en vernietiging van de emissiebesluiten. Het hof stelt wanbeleid vast maar wijst de voorzieningen af. De Hoge Raad vernietigt: bij het vennootschapsbelang in het enquêterecht moeten ook de belangen van de minderheidsaandeelhouder en het belang bij naleving van emissienormen worden betrokken, en de motivering over het aanblijven van de bestuurder en de lening is onvoldoende. De zaak wordt terugverwezen.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling van het middel dient tot uitgangspunt dat de regeling van het enquêterecht van het BWC (art. 2:270-286 BWC) is ontleend aan die van het Nederlandse BW (art. 2:344-359 BW) en dat de verschillen tussen beide regelingen voor het hier te beslissen geval niet relevant zijn. Mede gelet op het concordantiebeginsel dient de regeling van het enquêterecht van het BWC in dit geval dan ook op dezelfde wijze te worden uitgelegd als de regeling van het enquêterecht van het BW.
3.2.1 Onderdeel 7.2 van het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof (in rov. 2.7) over de lening van Bab van ruim € 2,6 miljoen aan PVG-9, gelet op de stellingen van Bab, onbegrijpelijk is. Bab wijst ter onderbouwing van haar klacht op de hiernavolgende stellingen en betoogt dat het hof die stellingen kenbaar in zijn motivering had moeten betrekken. Bab heeft, onder verwijzing naar de bevindingen van de onderzoeker en onder aanhaling van de toenmalige correspondentie, uiteengezet dat aanvankelijk, voordat tussen Bab en MHS een conflict ontstond, PVG-9 (onder regie van MHS) de lening van Bab uitdrukkelijk heeft erkend en dat ook MHS zelf ondubbelzinnig ervan blijk heeft gegeven dat Bab een lening van ruim € 2,6 miljoen aan PVG-9 had verstrekt. Bij die stand van zaken waren de leningen aan PVG-9 afkomstig van Bab en MHS in dezelfde 15/85-verhouding waarin zij ook de aandelen hielden. PVG-9 stemde, met afschrift aan MHS, (dan) ook in met het verzoek van Bab om deze lening alsnog op […]”
r.o. 3.1
“De hiertegen gerichte klacht slaagt. De omstandigheden dat de lening van Bab niet is komen vast te staan en dat het op de weg van Bab had gelegen om het bestaan van deze lening door de bevoegde rechter te doen vaststellen, kunnen het oordeel dat het verzuim van Intertrust om zelf onderzoek te doen naar de lening van Bab daarom geen wanbeleid oplevert, niet dragen. Juist de ontstane onzekerheid over de lening van Bab zou, in het licht van de hiervoor in 3.2.1 aangehaalde stellingen van Bab, voor Intertrust aanleiding hebben moeten zijn een dergelijk onderzoek te verrichten. Het oordeel van het hof is om die reden onvoldoende gemotiveerd.”
r.o. 3.2.3
“De klacht slaagt. Het hof heeft geoordeeld dat de gang van zaken rond de emissies getuigt van wanbeleid bij Cordial en Turnham en dat deze gang van zaken Intertrust als bestuurder ernstig te verwijten is. In deze procedure is naar voren gebracht dat Intertrust nog steeds weigert stukken aan Bab te verschaffen die belangrijke informatie bevatten over of in verband met de emissies. Intertrust is zich bovendien tot in een vergevorderd stadium van deze procedure inhoudelijk aan de zijde van MHS blijven scharen. In dat licht bezien, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat Intertrust als bestuurder kan aanblijven op de grond dat zij over de gehele linie ervan blijk heeft gegeven haar taken binnen Cordial en Turnham nu serieuzer te nemen en zich actiever op te stellen. Ook het oordeel dat het hof erop vertrouwt dat de boodschap van deze enquêteprocedure bij Intertrust voldoende duidelijk is aangekomen en dat het herstel blijvend zal zijn, is in de omstandigheden van dit geval als motivering niet voldoende – ook niet in samenhang met het daaraan voorafgaande – om Intertrust als bestuurder in functie te laten. Daarbij komt dat Bab in deze procedure (zie het inleidende verzoekschrift onder 7.1 en 7.2 en de verwijzing daarnaar in de procesinleiding onder 5.5) naar voren heeft gebracht dat er niet op kan worden vertrouwd dat Intertrust haar bestuurstaken in de toekomst wel goed zal uitvoeren en dat zij de problemen uit het verleden, waarvoor zij zelf […]”
r.o. 3.3.2