← Week 11

Hoge Raad · 17 maart 2023

Tegenstrijdig belang bestuurder en onbehoorlijk bestuur bij verkoop deelnemingen; verwijzing na cassatie

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Na het overlijden van de enig bestuurder van een vennootschap verkocht de opvolgend bestuurder deelnemingen aan een zakenpartner. De Hoge Raad oordeelt dat de afwijzing van een tegenstrijdig belang (artikel 2:256 oud BW) onvoldoende is gemotiveerd, omdat de bestuurder zijn inkomstenbron dreigde te verliezen en kon doorwerken onder de koper. Het hof trad bovendien buiten de rechtsstrijd door de zakenpartner op andere gronden aansprakelijk te houden. De zaak wordt verwezen.

Kernoverwegingen

“De desbetreffende vordering van M.E. Beheer c.s. strekt onder meer ertoe voor recht te verklaren dat [eiser 2] jegens M.E. Beheer c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. Het gerechtshof Arnhem heeft in zijn arrest geoordeeld dat [eiser 2] onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij zich de bij de tweede overeenkomst van 9 augustus 2009 verkochte aandelen in IJsselinvest heeft laten overdragen en daarover de feitelijke zeggenschap is gaan uitoefenen, terwijl M.E. Beheer c.s. rechthebbenden daarop bleven, en de vordering jegens [eiser 2] uitsluitend in zoverre toegewezen. Met dit oordeel bouwde het gerechtshof Arnhem voort op zijn eerdere oordeel dat [eiser 1] wegens tegenstrijdig belang onbevoegd was om deze aandelen over te dragen. Tegen dit laatste oordeel zijn [eisers] met succes in cassatie opgekomen. Na cassatie en verwijzing lag daarom enkel nog ter beoordeling voor de vraag of [eiser 2] inbreuk maakte op het recht van M.E. Beheer c.s. op de aandelen in IJsselinvest, door zich die aandelen over te laten dragen en daarover de feitelijke zeggenschap uit te oefenen, en daarmee onrechtmatig handelde jegens M.E. Beheer c.s. Het stond het hof na cassatie en verwijzing dus niet vrij om de vordering tegen [eiser 2] toe te wijzen op de grond dat [eiser 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens M.E. Beheer c.s. door onvoldoende rekening te houden met de belangen van de familie en door onvoldoende onderzoek te doen en overleg te voeren (rov. 25.29). De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht […]”

r.o. 3.2

“De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarbij geldt als uitgangspunt hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn eerdere arrest in deze zaak en dat ertoe strekt dat voor de toepassing van art. 2:256 (oud) BW niet is vereist dat zeker is dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling van de vennootschap zal leiden, doch voldoende is dat de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat, kan slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Het moet gaan om (voldoende geadstrueerde) omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich op grond van deze bepaling niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden. Mede in aanmerking genomen de ingrijpende gevolgen die aan een geslaagd beroep op art. 2:256 (oud) BW zijn verbonden, is immers niet aanvaardbaar dat wordt volstaan met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang, zonder dat dit beroep wordt geconcretiseerd op de wijze als hiervoor is […]”

r.o. 4.3

“Aangezien niet voldoende is komen vast te staan dat de overeenkomsten van 9 augustus 2005 de enige mogelijkheid waren om de liquiditeitsproblemen van M.E. Beheer op te lossen, had het hof kenbaar moeten motiveren waarom de vaststaande feiten, met inbegrip van de adviezen van de deskundigen, onvoldoende zijn om aan te nemen dat sprake was van een tegenstrijdig belang bij [eiser 1]. Dit geldt in het bijzonder voor de omstandigheid dat de overeenkomsten van 9 augustus 2005 aan [eiser 1] de mogelijkheid boden in functie te blijven bij de vennootschappen waarbij hij betrokken was tegen ten minste dezelfde beloning, ondanks de breuk in de vertrouwensrelatie tussen [eiser 1] en de erven/certificaathouders vanaf 15 juli 2005. De overweging van het hof dat een aanmerkelijke, invloedrijke extra beloning als gevolg van de transacties, in welke vorm dan ook, niet is komen vast te staan, is in dit kader niet doorslaggevend, nu ook zonder extra beloning voldoende op het spel stond voor [eiser 1], die – zoals M.E. Beheer c.s. hebben aangevoerd – op het punt stond zijn (nagenoeg) enige inkomstenbron te verliezen toen zijn positie binnen M.E. Beheer onhoudbaar was geworden. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom het oordeel van het hof dat uit de rapporten van de deskundigen volgt dat het steeds gaat om het ontbreken van voldoende onderzoek en overleg en dat niets is gesteld waaruit volgt dat dit onderzoek en overleg niet hadden kunnen plaatsvinden, kan bijdragen aan het oordeel […]”

r.o. 4.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2023:409
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
17 maart 2023
Datum publicatie
17 maart 2023
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
2:256 BW, 2:9 BW, 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Aangesproken
beide
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 11 van 2023

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.