Hoge Raad · 16 juni 2023
Curator versus bestuurder: administratieplicht, onbehoorlijk bestuur; motiveringsklacht slaagt
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een curator spreekt de bestuurder en de (middellijk) bestuurder van een failliete bv aan op grond van artikel 2:248 BW (administratieplicht) en onrechtmatige daad. Het hof wees de vorderingen af omdat de curator volgens het hof over de volledige administratie kon beschikken. De Hoge Raad vernietigt dat arrest, omdat het hof op onbegrijpelijke gronden is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stellingen van de curator over de onvolledige administratie. De zaak wordt verwezen.
Kernoverwegingen
“Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen. In de memorie van grieven is uitvoerig en aan de hand van concrete stellingen en cijfers betoogd dat aan de curator geen behoorlijke administratie is verschaft waaruit de rechten en verplichtingen van de boedel kunnen worden afgeleid. Samenvattend is volgens de curator op een groot aantal punten niet aan de administratieplicht voldaan. Een van de kernpunten is dat de administratie op datum faillissement niet was bijgewerkt. Eerst op 11 mei 2016 – zes weken na faillissement – is de administratie bijgewerkt en aangeleverd. Dat voldoet volgens de curator niet aan art. 2:10 lid 4 BW. (rov. 3.4, aanhef en onder g) [verweerders] hebben de stellingen van de curator gemotiveerd betwist en naar het oordeel van het hof hebben zij aan de hand van bescheiden aannemelijk gemaakt dat de curator kan beschikken over de volledige administratie van de failliete vennootschap. Uit de stelling van de curator die is vermeld in rov. 3.4, onder g, volgt dat de curator over een volledige administratie kan beschikken. De advocaat van [verweerders] heeft de curator daarop gewezen bij e-mail van 30 mei 2016. Daarop heeft de curator niet gereageerd. Aangenomen wordt daarom dat de curator over een volledige administratie kon beschikken. Het feit dat de curator vragen over deze administratie heeft, maakt dit niet anders. Aan alle desbetreffende stellingen van de curator […]”
r.o. 2.4
“Deze klachten slagen. De passages uit de gedingstukken waarop het onderdeel een beroep doet, kunnen niet anders worden begrepen dan dat de curator zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd heeft betoogd dat de op 11 mei 2016 aangeleverde bijgewerkte administratie van [A] niet volledig was. In het licht hiervan is het hof in rov. 3.5 uitgegaan van een onbegrijpelijke uitleg van de in rov. 3.4, onder g, weergegeven stelling van de curator. Eveneens onbegrijpelijk is dat het hof uit een e-mail van de advocaat van [verweerders] van 30 mei 2016 en het ontbreken van een reactie daarop van de curator, heeft afgeleid dat de curator over de volledige administratie van [A] kan beschikken. Daargelaten dat het procesdossier geen e-mail van de advocaat van [verweerders] bevat met als datum 30 mei 2016 (maar twee e-mails die de advocaat van [verweerders] op andere data in mei 2016 aan de curator heeft gestuurd), kan uit de enkele omstandigheid dat de curator niet heeft gereageerd op de door het hof kennelijk bedoelde e-mail(s) niet worden afgeleid dat de curator over de volledige administratie van [A] kan beschikken. Dit geldt te meer nu uit de gedingstukken blijkt dat de curator ook na mei 2016 herhaaldelijk heeft verzocht om stukken uit de administratie van [A], die volgens de curator nog niet volledig aan hem ter beschikking was gesteld. Uit het voorgaande volgt dat het hof in rov. 3.5 op onbegrijpelijke gronden voorbij is gegaan aan alle stellingen van de curator met […]”
r.o. 3.2
“Het slagen van onderdeel 1.2.1 brengt reeds mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling en kunnen zo nodig na verwijzing aan de orde komen. Daarbij geldt dat rov. 3.3 van het bestreden arrest geen beperking behelst van hetgeen in hoger beroep ter beoordeling voorligt.”
r.o. 3.3