Hoge Raad · 4 oktober 2024
Matiging schadevergoeding interne bestuurdersaansprakelijkheid stichting Curaçao (artikel 2:14 BWC)
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichting met een publieke taak sprak twee voormalige bestuurders aan wegens onbehoorlijk bestuur (artikel 2:14 BWC, Curaçao). Het hof matigde de schadevergoeding op grond van artikel 6:109 BWC en wees hoofdelijkheid af. De Hoge Raad oordeelt dat de matiging toereikend is gemotiveerd en dat de rechter bij matiging niet per se eerst de volledige schade hoeft vast te stellen. Beide cassatieberoepen worden verworpen.
Kernoverwegingen
“Art. 6:109 lid 1 BWC – dat gelijk is aan art. 6:109 lid 1 BW – bepaalt dat indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen. Deze bepaling moet worden beschouwd als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de art. 6:2 en 248 BWC. De in art. 6:109 BWC neergelegde maatstaf, die tot voorzichtigheid en objectivering van inzicht noodzaakt, noopt de rechter ertoe met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen. Art. 6:109 lid 1 BWC laat het oordeel over matiging geheel aan de rechter over, waarbij hij alle omstandigheden van het geval zal moeten bezien. Bij de omstandigheden die in de bepaling zijn genoemd en in het bijzonder van belang kunnen zijn, en bij de niet in de wettekst vermelde omstandigheden, gaat het om een afweging van de belangen die aan de zijde van beide partijen bestaan.”
r.o. 4.2
“Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende tot uitgangspunt. Het hof had, als rechter die over de feiten oordeelt, de vrijheid om de wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen, indien het van oordeel was dat toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Ook bij een dergelijke matiging geldt het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.”
r.o. 4.4
“Uit het tussenvonnis en het eindvonnis van het hof blijkt dat het zijn matigingsoordeel op de volgende gronden heeft gebaseerd. - [de voorzitter] heeft zelf geen profijt gehad van de gewraakte besluiten en bestedingen. Het openbaar ministerie heeft opgemerkt dat “eerder sprake van wanbeleid” was. - De beloning van [de voorzitter] als parttime voorzitter was bescheiden (NAf 1.250,-- per maand met vaste autokosten- en telefoonvergoeding). - Het kabinet-Schotte is ongekend geweest binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Van een aantal ministers stond de integriteit niet vast en drie leden van het kabinet zijn tot gevangenisstraf veroordeeld. Voor het kabinet was deskundigheid van ondergeschikt belang en in zekere zin is [de voorzitter] daarvan een slachtoffer. Het was een exceptionele tijd in het kleine Curaçao. - [de voorzitter] kreeg een zware verantwoordelijkheid die hij niet aankon. Hij had een oogartspraktijk en besteedde enkele uren per week aan BZV. Hij was niet te kwader trouw, maar meende het algemeen belang te dienen. Hij was niet voor zijn taak berekend en extreem naïef. Hij meende minister Constancia te moeten gehoorzamen. - Deze zaak is de enige zaak tegen ex-bestuurders van een overheidsentiteit in Curaçao uit het tijdperk-Schotte, daar waar ook zaken tegen anderen mogelijk waren geweest. - De kosten van rechtsbijstand zullen [de voorzitter] al zwaar vallen. Ten tijde van de zitting was [de voorzitter] al NAf 400.000,-- kwijt aan Nederlandse advocatenkosten. [de […]”
r.o. 4.5