← Week 45

Hoge Raad · 8 november 2024

Stelplicht en bewijsaanbod bij aansprakelijkheid van bestuurder logistiek dienstverlener voor factoringfraude

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een bank leed schade door factoringfraude van de verkoopagent van haar kredietnemer en stelt onder meer de bestuurder van een logistiek dienstverlener in persoon aansprakelijk uit onrechtmatige daad, omdat hij de agent zou hebben geïntroduceerd terwijl hij diens onbetrouwbaarheid kende. Het hof wees dit af wegens onvoldoende onderbouwing zonder bewijs toe te laten. De Hoge Raad oordeelt dat de bank voldoende heeft gesteld en dat van een partij die getuigenbewijs aanbiedt niet kan worden gevergd dat zij haar stellingen op voorhand aannemelijk maakt. Hij vernietigt het arrest en verwijst de zaak.

Kernoverwegingen

“Het hof heeft vervolgens overwogen dat uit wat UIB heeft aangevoerd niet blijkt dat de verklaring van [Y] over wat hij over [X] wist (eerder zakelijk faillissement, chaotische administratie, goede verkoper) toen hij hem bij EBT introduceerde, niet juist was en evenmin dat [Y] wist van de zakelijke onbetrouwbaarheid van [X] of diens frauduleuze verleden (rov. 6.28). Daarnaast heeft het overwogen dat de door UIB aangehaalde e-mail van 25 juli 2012 van [Y] aan [X] evenmin voldoende aanwijzing vormt dat [Y] op de hoogte was van eerder gepleegde factoringfraude of eerdere malversaties toen hij [X] introduceerde bij EBT (rov. 6.29). Daarop is het hof tot de conclusie gekomen dat UIB haar stelling dat [Y] onrechtmatig heeft gehandeld jegens EBT door [X] bij EBT te introduceren als verkoper, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof komt daarom aan bewijslevering niet toe (rov. 6.61).”

r.o. 3.3

“De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten slagen. Het hof was blijkens rov. 6.28 en 6.29 van oordeel dat ZZC of [Y] onrechtmatig kan hebben gehandeld als [Y] wist van de zakelijke onbetrouwbaarheid van [X] of diens frauduleuze verleden. UIB heeft daarbij gewezen op een e-mail van [Y] van 25 juli 2012, op een faillissementsverslag van de curator van een eerdere vennootschap van [X] en op de door UIB gestelde omstandigheid dat ZZC nog een vordering op die eerdere vennootschap had. UIB heeft voorts aangeboden te bewijzen, door het horen van getuigen onder wie [Y], [X] en hun respectieve werknemers, dat [Y] wist en begreep dat VFI een voor EBT onbetrouwbare partij was, en aangeboden te bewijzen dat [Y] in 2012 op de hoogte was van de factoringfraude van [X] bij die eerdere vennootschap. Niet valt in te zien dat UIB met dit betoog onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [Y] op de hoogte was van de factoringfraude van [X]. Niet duidelijk is welke feiten en omstandigheden UIB nog meer had moeten aanvoeren of welke stukken zij nog meer had moeten overleggen om de gestelde wetenschap van [Y] te staven. Hierbij is van belang dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen door middel van getuigen, niet gevergd kan worden dat zij, wil zij tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en hetgeen de wederpartij daartegen aanvoert, ontzenuwt.”

r.o. 3.4

“In rov. 6.61 heeft het hof overwogen dat de stellingen van UIB vanwege een gebrek aan onderbouwing zijn verworpen en dat hof aan bewijslevering niet toekomt. Dit oordeel bouwt voort op de in cassatie met succes bestreden oordelen en kan daarom niet in stand blijven.”

r.o. 3.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1605
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
8 november 2024
Datum publicatie
8 november 2024
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 45 van 2024

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.