← Week 20

Hoge Raad · 17 mei 2024

Kerkelijk statuut en voorlopig getuigenverhoor: burgerlijke rechter en kerkelijke rechtsgang

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een voormalig pastoor wil een voorlopig getuigenverhoor met het oog op een claim wegens smaad en laster tegen de bisschop. De bisschop betoogt in cassatie dat op grond van het kerkelijk statuut (artikel 2:2 lid 2 BW) een kerkelijke rechtsgang openstaat. De Hoge Raad oordeelt dat de burgerlijke rechter een vordering over een onderwerp uit zo'n statuut in beginsel niet-ontvankelijk moet verklaren als die uitsluitend in een kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld, maar dat dit hier niet is onderbouwd. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“De burgerlijke rechter dient degene die bij hem opkomt met een vordering betreffende een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van een kerkgenootschap, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren indien de gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld.”

r.o. 4.3

“De bisschop heeft in feitelijke instanties gesteld – welke stelling [verweerder] heeft betwist – dat de vordering van [verweerder] ziet op schending van een norm naar canoniek recht (canon 220, waarin is bepaald dat het niemand geoorloofd is de goede naam die iemand geniet onwettig te schaden of het recht te schenden van wie ook om de eigen privacy te bewaren) en dat hiervoor een procedure naar canoniek recht moet worden gevoerd. De bisschop heeft echter ook gesteld dat voor smaad en laster “ook” een canonieke procedure bestaat waarbij het voor de hand ligt eerst die procedure te volgen, en dat als [verweerder] de bisschop in rechte wil aanspreken wegens smaad en laster, het aan de “civielrechtelijke of kerkrechtelijke” bodemrechter zal zijn om te beoordelen of en in hoeverre bewijslevering aan de orde komt.”

r.o. 4.4

“Uit hetgeen de bisschop aldus heeft aangevoerd en de norm van canoniek recht die hij in dat verband heeft ingeroepen, kan niet worden afgeleid dat de vordering met het oog waarop [verweerder] het voorlopig getuigenverhoor heeft verzocht, uitsluitend in een kerkelijke rechtsgang en niet bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. Reeds hieruit volgt dat het hof niet buiten het toepassingsgebied van art. 186 Rv is getreden door het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe te wijzen.”

r.o. 4.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2024:718
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
17 mei 2024
Datum publicatie
17 mei 2024
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:2 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 20 van 2024

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.