Hoge Raad · 10 januari 2025
Uittreedvergoeding coöperatie vereist statutaire grondslag ex artikel 2:60 BW
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een coöperatie vorderde van een voormalig lid een in een ledenovereenkomst overeengekomen uittreedvergoeding. De Hoge Raad bevestigt dat een uittreedvoorwaarde als bedoeld in artikel 2:60 BW een statutaire grondslag moet hebben en dat zonder zo'n grondslag een dergelijke voorwaarde niet geldig kan worden overeengekomen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De uittreedvergoeding die partijen zijn overeengekomen is een voorwaarde voor uittreding in de zin van artikel 2:60 BW. Zo’n voorwaarde moet een statutaire grondslag hebben en dat is hier niet het geval. Kubus kan daarom geen aanspraak maken op betaling van de vergoeding. Het hof legt dit oordeel hierna uit.
Feiten
(…)”
r.o. 3.1
“De klacht faalt. Het oordeel van het hof dat uit art. 2:60 BW voortvloeit dat een uittreedvoorwaarde als bedoeld in die bepaling – waarvan naar het oordeel van het hof bij de in de overeenkomst opgenomen uittreedvergoeding sprake is – een statutaire grondslag moet hebben, is juist. Een zodanige uittreedvoorwaarde kan zonder statutaire grondslag niet geldig worden overeengekomen.”
r.o. 3.2
“De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).”
r.o. 3.3