Hoge Raad · 27 maart 2026
Belanghebbende bij herroeping van beschikking tot doeluitbreiding van stichting
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een stichting kreeg in een procedure op grond van artikel 2:294 BW toestemming om haar doel uit te breiden. Een rechtspersoon en zijn bestuurder vroegen herroeping van die beschikking wegens bedrog, maar de rechtbank oordeelde dat zij geen belanghebbenden waren. De Hoge Raad vernietigt dat oordeel als onjuist of onvoldoende gemotiveerd, gelet op hun nauwe betrokkenheid bij het onderwerp van de doeluitbreidingsprocedure, en verwijst naar het hof. Boek 2 speelt alleen als achtergrond een rol.
Kernoverwegingen
“Het behoort tot de taak van de rechter om zich binnen redelijke grenzen ambtshalve erop toe te leggen dat allen die vermoedelijk belanghebbende zijn in de gelegenheid worden gesteld zich bij de behandeling van een verzoek te laten horen. Het antwoord op de vraag of iemand belanghebbende is, moet worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij speelt een rol in hoeverre deze persoon door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.”
r.o. 3.3
“Het doeluitbreidingsverzoek is onder meer erop gebaseerd dat vanaf de oprichting van de Stichting niet of nauwelijks realistische verzoeken tot bijdragen/subsidies aan instellingen/derden met inachtneming van het bepaalde in art. 3, aanhef en onder b en art. 6 van de statuten zijn geweest en ook niet te verwachten zijn. De stukken van het geding in feitelijke aanleg laten geen andere conclusie toe dan dat de Stichting de hiervoor in 3.2 onder (i) tot en met (ix) genoemde feiten in de procedure bij de rechtbank heeft erkend of niet heeft betwist, terwijl over de onder (x) en (xi) genoemde stellingen van Junius c.s. debat heeft plaatsgevonden. De hiervoor in 3.2 onder (i) tot en met (ix) genoemde feiten houden, samen met de hiervoor in 2.1 weergegeven feiten, onder meer in dat Junius c.s. diverse keren met succes aanspraak hebben gemaakt op subsidieverlening door de Stichting, dat [eiser 2] mede met steun van de Stichting tot priester is opgeleid en gewijd, en dat Junius c.s. gedurende geruime tijd de enigen zijn die aanspraak maken op, en zich hebben ingezet voor, voortzetting van DHNK. In het licht van een en ander heeft de rechtbank met haar oordeel (in rov. 4.9) dat Junius c.s. niet wegens een voldoende nauwe betrokkenheid belanghebbenden zijn bij de doeluitbreidingsbeschikking hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het eerste is het geval als de rechtbank heeft miskend dat de hiervoor bedoelde feiten, in […]”
r.o. 3.4