← Week 24

Hoge Raad · 12 juni 2026

Persoonlijk ernstig verwijt indirect bestuurder jegens kredietverstrekker; hof-oordeel onbegrijpelijk

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een bank vorderde van de indirect bestuurder van een insolvente beleggingsvennootschap schadevergoeding uit onrechtmatige daad, omdat zij niet was geïnformeerd over een regresvordering en de daaruit voortvloeiende schikking. Het hof nam een persoonlijk ernstig verwijt aan. De Hoge Raad vernietigt dat oordeel omdat het onvoldoende gemotiveerd is, mede doordat het hof geen onderscheid maakte tussen de vennootschap en haar kleindochtervennootschap. De zaak wordt verwezen naar een ander hof.

Kernoverwegingen

“Bij de behandeling van de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten stelt de Hoge Raad voorop dat in het algemeen een hoge drempel geldt voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders. Daarnaast gelden in dit geval de volgende uitgangspunten. - Het hof heeft niet vastgesteld dat naast FPA ook Weaver jegens Bank Degroof verplicht is tot terugbetaling van het door Bank Degroof aan FPA verstrekte krediet. - Het hof heeft omtrent de activa en passiva van Weaver niet meer of anders vastgesteld dan dat Weaver: (a) een schuld had aan Alstonville, voor welke schuld [eiser 2] naast Weaver hoofdelijk aansprakelijk was (rov. 4.15.1); (b) een schuld had aan Eikofin uit hoofde van de door Eikofin voorgeschoten kosten van rechtsbijstand (rov. 4.15.2); (c) een regresvordering had op het advocatenkantoor dat Weaver had geadviseerd over de herstructurering (rov. 4.15.2 en 4.17). - Het hof heeft niet vastgesteld dat Weaver, door uit de opbrengst van de advocatenkantoor-schikking aan Alstonville € 2.825.135,-- te betalen en aan Eikofin € 1.475.135,--, aan Alstonville en Eikofin meer heeft betaald dan aan hen als schuldeisers van Weaver toekwam.”

r.o. 3.2.1

“In het licht van de hiervoor in 3.2.1 genoemde uitgangspunten is zonder nadere motivering onbegrijpelijk het oordeel van het hof (i) dat FPA verplicht was Bank Degroof te betrekken bij, althans eerder te informeren over de regresvordering van Weaver op het advocatenkantoor en de advocatenkantoor-schikking en dat [eiser 2] dienaangaande persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en (ii) dat [eiser 2] als indirect bestuurder van FPA heeft bewerkstelligd of toegelaten dat FPA haar verplichtingen niet meer kon nakomen en de vordering van Bank Degroof onbetaald en onverhaalbaar is gebleven. Dat laatste oordeel is temeer onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat de algemene vergadering van FPA in 2015 had besloten tot afwikkeling van FPA omdat FPA een negatief eigen vermogen had en geen uitzicht bestond op verbetering daarvan (zie hiervoor in 2.1 onder (v)).”

r.o. 3.2.2

“Voor de hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen van het hof kan zonder nadere motivering niet mede redengevend zijn het oordeel van het hof in rov. 5.22 dat [eiser 2] als (indirect) bestuurder van FPA een beperkte betaalautonomie had na het besluit tot afwikkeling van FPA, terwijl FPA niet over voldoende middelen beschikte om al haar schuldeisers te voldoen. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat na dat besluit betalingen zijn verricht door FPA die strijdig zijn met een beperkte betaalautonomie en evenmin geoordeeld dat [eiser 2] als bestuurder van Weaver een beperkte betaalautonomie had, terwijl voorts uitgangspunt is dat Bank Degroof geen schuldeiser van Weaver was.”

r.o. 3.2.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2026:912
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
12 juni 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 24 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.