Gerecht in eerste aanleg van Curaçao · 28 maart 2025
Beneficiary stichting particulier fonds: bevriezing vermogen en exhibitie afgewezen (Curaçao)
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een beneficiary van een stichting particulier fonds op Curaçao wilde in kort geding een verbod op beschikking over de bankrekeningen van het fonds en de dochtervennootschap, en inzage in bescheiden, nadat die een vaststellingsovereenkomst met de oorspronkelijke aandeelhouder hadden gesloten. Het gerecht oordeelt dat niet aannemelijk is dat goedkeuring van alle beneficiaries vereist was en dat het niet aan de kortgedingrechter is op de stoel van het bestuur te gaan zitten. Een informatierecht op grond van artikel 2:7 BWC moet redelijk worden uitgeoefend (artikel 2:8 BWC); de vordering was te ruim en onvoldoende onderbouwd. Alle vorderingen zijn afgewezen.
Kernoverwegingen
“Het bestuur van Solid, respectievelijk van SFPF, is in beginsel het bevoegde orgaan tot het aangaan van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. Met betrekking tot SFPF geldt dat volgens de statuten het bestuur alle bevoegdheden heeft die niet zijn voorbehouden aan de beneficiaries of de protector. Artikel 7.2 van de statuten van SFPF voorziet erin dat bepaalde besluiten de unanieme goedkeuring van de beneficiaries vereisen. [eiseres] heeft gesteld dat de betalingen aan Solid door SFPF en de overdracht van de aandelen aan BGNIC vallen onder ‘distributions” en daarmee onder het goedkeuringsvereiste van de beneficiaries. De beneficiaries zijn volgens [eiseres] op grond van de statuten van SFPF betrokkenen in de zin van artikel 2:7 BW, daarnaast was het bestuur van Solid c.s. op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid gehouden tot het informeren van de beneficiaries over de voorgenomen vaststellingsovereenkomst en daarvoor goedkeuring te vragen.”
r.o. 5.3
“De uitleg van Solid c.s. lijkt gelet op de aanleiding voor het sluiten van de [betrokkene 2]-[eiseres] VSO en de verwerking daarvan in de statuten van SFPF aannemelijk. Daarmee is in het kader van de beperkingen van een kort geding procedure, waarmee er geen ruimte is voor uitgebreid feitenonderzoek, niet aannemelijk geworden dat het sluiten van een vaststellingsovereenkomst de goedkeuring vereist van alle beneficiaries. Dan geldt dat het aan het bestuur van Solid, respectievelijk SFPF is om de strategie te bepalen. Het bestuur heeft een inschatting gemaakt van haar kansen in genoemde procedure. Zij heeft uiteengezet welke aspecten zij daarbij heeft betrokken. Kort gezegd: verlies van de procedure bij het hof, waarbij SFPF als zodanig geen partij is maar wel betrokkene, zou ertoe kunnen leiden dat de aandelen in Solid terug moeten worden geleverd en het volledig ontvangen bedrag aan dividend (met rente) terug moet worden gestort. Onweersproken is gebleven dat dit het faillissement van SFPF zou inhouden. Daarnaast zijn de maatregelen die destijds de reden vormden tot oprichting van SFPF: de emissie van aandelen Solid aan haar en het veilig stellen van het vermogen van Solid door een dividenduitkering te doen, in haar visie niet meer goed houdbaar onder meer nu de toenmalige trustees, waartegen de beschermingsmaatregelen waren gericht, inmiddels zijn vervangen. Bovendien ontbreekt het Solid c.s. aan fondsen. Ze kan daardoor haar advocaten niet betalen om nog langer verweer te […]”
r.o. 5.6
“[eiseres] heeft een exhibitievordering ingesteld en deze gegrond op artikel 3:137 lid 3 BW, artikel 2:7 BW en artikel 843a RV.
Verschoningsrecht”
r.o. 5.11