Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 3 maart 2026
Enquête Curaçao: tijdelijke bestuurder en beheerder aandelen benoemd; nader onderzoek afgewezen
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure op Curaçao (BWC) treft het Hof voorlopige voorzieningen om een algehele minnelijke regeling te bevorderen, zonder te oordelen over wanbeleid. Het benoemt een tijdelijke bestuurder en een tijdelijke beheerder van de aandelen en heft de schorsing van het stemrecht op. Het verzoek om nader onderzoek ex artikel 2:282 lid 4 BWC wijst het Hof af, omdat de onderwerpen te ver afstaan van het reeds verrichte onderzoek.
Kernoverwegingen
“Uit het hiervoor weergegeven procesverloop blijkt dat betrokkenen getracht hebben tot een algehele minnelijke regeling te komen met de gehele familie [naam], maar dat dit niet is gelukt. Het Hof zal nog eenmaal trachten de totstandkoming van een dergelijke regeling te faciliteren. Het Hof zal dat doen door middel van voorlopige voorzieningen, dus zonder nog te oordelen over de vraag of uit het onderzoeksverslag blijkt dat bij Solid sprake is geweest van wanbeleid.”
r.o. 3.1
“Ten eerste zal het Hof een tijdelijke bestuurder benoemen, zoals [belanghebbende 4] subsidiair heeft verzocht (zie verzoek i hiervoor) en bij de mondelinge behandeling is besproken. Deze tijdelijke bestuurder krijgt tot taak, binnen de grenzen van zijn bevoegdheden, de totstandkoming een algehele minnelijke regeling te bevorderen.”
r.o. 3.2
“Ten tweede zal het Hof een tijdelijke beheerder van de aandelen in Solid benoemen, zoals BGNIC op 3 juni 2021 heeft verzocht voor een deel van de aandelen (zie de beschikking van 25 januari 2022 onder 1.1, met betrekking tot Solid, verzoek 2 onder d, en 2.15 van die beschikking) en [belanghebbende 4] subsidiair heeft verzocht (zie verzoek i hiervoor). Deze beheerder zal het aan de aandelen verbonden stemrecht kunnen uitoefenen. Ook deze voorziening wordt getroffen met het oog op de totstandkoming van een algehele minnelijke regeling.”
r.o. 3.3