Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 26 maart 2026
Enquête supermarktketen Curaçao: onderzoek bevolen en tijdelijke bestuurder benoemd
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een minderheidsaandeelhouder in de houdstermaatschappij van een supermarktgroep op Curaçao vraagt om een enquête over de hele groep en om een tijdelijke bestuurder. Het Gemeenschappelijk Hof oordeelt op grond van het enquêterecht van het BWC dat het jarenlang ontbreken van jaarrekeningen gegronde redenen geeft om aan een juist beleid te twijfelen. Het Hof beveelt een onderzoek en benoemt voorlopig een tijdelijke bestuurder met doorslaggevende stem, met de opdracht te zorgen voor een structurele inrichting van de besturen.
Kernoverwegingen
“Candelaria voldoet aan het ontvankelijkheidsvereiste van art. 2:272 lid 1 sub c BW met betrekking tot haar verzoeken ten aanzien van Ribeira Brava. Zij is ook ontvankelijk met betrekking tot haar verzoeken ten aanzien van de overige verweersters, omdat voldaan is aan de vereisten voor het instellen van een concern-enquête. Esperamos en de belanghebbenden hebben dat ook niet bestreden.”
r.o. 2.4
“Er zijn jarenlang geen jaarrekeningen beschikbaar geweest. Dat is op zichzelf voldoende voor het oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid bij Esperamos c.s. te twijfelen. In dit stadium van de procedure behoeft niet onderzocht te worden of er meer redenen zijn aan een juist beleid te twijfelen. Esperamos c.s. hebben in elk geval niet (voldoende duidelijk) betwist dat er gegronde redenen zijn om te betwijfelen of het beleid bij Esperamos c.s. in het verleden altijd juist is geweest.”
r.o. 2.5
“Esperamos c.s. hebben niet aannemelijk gemaakt dat Candelaria onvoldoende belang in de zin van art. 3:303 BW heeft bij haar verzoeken of dat zij misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW maakt door die verzoeken te doen, hetzij door haar bevoegdheid uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, hetzij om een andere reden. Ook een belangenafweging leidt niet tot afwijzing van het enquêteverzoek.”
r.o. 2.6