Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 september 1984
Vernietiging ontslagbesluit bestuurder BV wegens strijd met goede trouw naast arbeidsrechtelijke bescherming
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om de vraag of een ontslagen bestuurder van een BV, met wie een arbeidsovereenkomst bestaat, het aandeelhoudersbesluit tot ontslag kan laten vernietigen wegens strijd met de goede trouw. Het hof had dat uitgesloten en verwees de bestuurder naar het arbeidsrecht. De A-G meent dat het besluit wel aan artikel 2:11 BW (oud) getoetst kan worden, ook al zal die toetsing marginaal zijn, en concludeert tot vernietiging van het arrest en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Waar het Hof een vaststelling van de feiten in dit geding geheel achterwege heeft gelaten en zonder meer aan alle grieven is voorbijgegaan, moet men er in cassatie van uitgaan dat het Hof de door hem geformuleerde rechtsregel van toepassing acht, wat de feitelijke omstandigheden in deze zaak ook mochten zijn. Die regel komt m.i. hierop neer dat een bestuurder van een BV een hem gegeven ontslag niet kan aantasten door vernietiging van het ontslagbesluit te vorderen op grond van art. 11 lid 1 aanhef en onder c, maar dat hij uitsluitend is aangewezen op de artt. 1639e e.v. B.W., voor zover daaraan niet wordt gederogeerd door de artt. 239 e.v. boek 2 B.W. 5. Het Hof heeft zijn beslissing niet gemotiveerd. Daartoe was het ook niet gehouden: zuivere rechtsbeslissingen behoeven geen motivering (zie Veegens, Cassatie 1971 p. 199 en L. Hollander, kaartenboekje Cassatie 1983 p. 13 e.v.). Daardoor bleef echter wel onbeantwoord de vraag waarom het Hof dit oordeel was toegedaan. Deze taak van uitleg en argumentering heeft de BV op zich genomen. 6. Mogelijkheden om een besluit van de algemene vergadering van een rechtspersoon aan te tasten zijn neergelegd in art. 11 boek 2 B.W.; in casu gaat het met name om de in lid 1, aanhef en sub c van dat artikel genoemde goede trouw. Zie hieromtrent Asser-Van der Grinten 2-II 1980 p. 101 e.v., Van der Heijden-Van der Grinten 1984 no. 224.1 met veel rechtspraakgegevens, W.J. Slagter, Compendium van het ondernemingsrecht 1978 p. 81 e.v., Maeijer, […]”
r.o. 4
“Betekent dit nu dat met het geven van speciale regels voor het ontslag van bestuurders van rechtspersonen de wetgever moet hebben bedoeld daarmee, behalve bepaalde regels van het "gemene" ontslagrecht, óók de algemene regeling omtrent de aantasting van besluiten uit te sluiten? Dit is wat de BV, ter verdediging van 's Hofs standpunt in deze zaak, betoogt; zou men dit niet aanvaarden, dan zou men immers via de vennootschapsrechtelijke weg - woorden van Stein in zijn noot onder N.J. 1979, 478 - een resultaat kunnen bereiken (aanblijven van de directeur), dat via de arbeidsrechtelijke weg niet te bereiken zou zijn. 9. Naar mijn mening echter moet men niet bij het einde van de weg beginnen, maar bij het begin ervan, namelijk bij het besluit om de bestuurder te ontslaan. En dan dient men te onderscheiden - ook de BV gaat hiervan uit, zie haar pleitnota p. 8 sub 16 en 17, zie voorts Slagter l.c. p. 85, en vooral dezelfde schrijver in TVVS 1983/11 p. 319/320 over het thans bestreden arrest - tussen de interne totstandkoming van het besluit, waarop art. 11 boek 2 van toepassing is, en de externe uitvoering ervan die weer aan geheel andere regels onderworpen is, in casu die omtrent ontslag. Zo beschouwd lijkt het mij geenszins noodzakelijk - en ook niet gewenst - toetsing van de geldigheid van een besluit achterwege te laten alleen omdat, indien het besluit vernietigd zou moeten worden op één van de in art. 11 genoemde gronden, ook de externe werking van het besluit zou wegvallen. […]”
r.o. 8
“Naar mijn mening echter moet men niet bij het einde van de weg beginnen, maar bij het begin ervan, namelijk bij het besluit om de bestuurder te ontslaan. En dan dient men te onderscheiden - ook de BV gaat hiervan uit, zie haar pleitnota p. 8 sub 16 en 17, zie voorts Slagter l.c. p. 85, en vooral dezelfde schrijver in TVVS 1983/11 p. 319/320 over het thans bestreden arrest - tussen de interne totstandkoming van het besluit, waarop art. 11 boek 2 van toepassing is, en de externe uitvoering ervan die weer aan geheel andere regels onderworpen is, in casu die omtrent ontslag. Zo beschouwd lijkt het mij geenszins noodzakelijk - en ook niet gewenst - toetsing van de geldigheid van een besluit achterwege te laten alleen omdat, indien het besluit vernietigd zou moeten worden op één van de in art. 11 genoemde gronden, ook de externe werking van het besluit zou wegvallen. Dit geldt m.i. zeker nu de rechtspersoon op ieder gewenst moment een nieuw ontslagbesluit kan nemen (ditmaal hopelijk wèl in overeenstemming met art. 11); een ne bis in idem regel geldt hier immers niet. 10. Overigens lijkt mij de kans dat de rechter in een geval als dit het besluit wegens strijd met de goede trouw nietig zal verklaren, niet zeer groot (zie in dezelfde zin Van der Heijden-Van der Grinten l.c. p. 418 en Roelvink in N.J.B. 1981 p. 75). De beoordeling zal immers dienen te geschieden aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij de rechter in aanmerking zal nemen dat de vergadering van […]”
r.o. 9