← Week 21

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 mei 1989

Beklamel: maatstaf persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder en enig aandeelhouder bv

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een leverancier sprak de bestuurder en enig aandeelhouder van een failliete bv persoonlijk aan uit onrechtmatige daad wegens een onbetaalde koopsom (Beklamel-situatie). De A-G acht de door het hof gehanteerde maatstaf juist en oordeelt dat enig aandeelhouderschap geen zwaardere aansprakelijkheid meebrengt dan die welke al op een bestuurder rust; bijkomende omstandigheden zijn nodig. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Vooropgesteld zij dat het door het hof gebezigde criterium overeenstemt met de heersende leer over de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap. De bestuurder kan door het aangaan van een overeenkomst namens de vennootschap persoonlijk aansprakelijk zijn als gevolg van handelen in strijd met de zorgvuldigheid die hij naar verkeersnormen jegens de wederpartij van de vennootschap had in acht te nemen. Vergl. over de aansprakelijkheid van het orgaan bij onrechtmatige daad van de vennootschap: Asser-Rutten-Hartkamp III (De verbintenis uit de wet) (1986), nr. 262 en Brunner in de losbladige ‘’Onrechtmatige daad’’ IV, nr. 187. Het contracteren door de vennootschap kan een onrechtmatige daad van de bestuurder (waarvoor deze persoonlijk aansprakelijk is) opleveren in geval van schending van de door het hof in de onderhavige zaak toegepaste norm (maatstaf). Aldus: A. van Oven in WPNR 1971, nr. 5133, naar aanleiding van Rechtbank Rotterdam 6 januari 1970, NJ 1970, 245; de door mijn ambtgenoot Strikwerda in zijn conclusie sub 2.6 voor HR 9 december 1988, NJ 1989, 203 genoemde rechtspraak (Rechtbank Rotterdam 26 juni 1970, NJ 1972, 221; Hof 's-Hertogenbosch 23 november 1983, NJ 1985, 436 en 6 april 1976, NJ 1978, 454); Hof Leeuwarden 2 maart 1983 (sub 10–11), a quo HR 2 november 1984, NJ 1985, 446 (Ma); HR 19 februari 1988 onder 3.4 (naar aanleiding van subonderdeel c), NJ 1988, 487, AA 1988, p. 452 (P. van Schilfgaarde); Roelvink, WPNR 1981, nr. 5575, p. […]”

r.o. 5.2

“Geldt nu een andere, zwaardere norm — t.w. die door onderdeel 1 wordt verdedigd — wanneer de bestuurder tevens enig aandeelhouder van de vennootschap is? Is er dan al onrechtmatigheid wanneer de bestuurder niet (serieus) kon menen dat de vennootschap aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen? Naar mijn mening behoren deze vragen in ontkennende zin te worden beantwoord. Voor een verdergaande aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder — die tevens de enige beleidsbepaler is — valt in het geldende recht m.i. geen steun te vinden. Zie de cassatierechtspraak over ‘’doorbraak’’ van aansprakelijkheid in concernverhoudingen, besproken door Van Schilfgaarde in voornoemde noot, waaronder HR 16 januari 1987, NJ 1987, 970 (Ma). Voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder-enig aandeelhouder zijn bijkomende omstandigheden noodzakelijk. Het enig-aandeelhouderschap is onvoldoende voor het aanvaarden van een zwaardere aansprakelijkheid dan die welke toch al op een bestuurder rust. 6. Op grond van het voren aangetekende kan onderdeel 1 niet tot cassatie leiden. 7. Onderdeel 2 bestrijkt r.o. 7 van ’s hofs tussenarrest met een motiveringsklacht: het hof heeft, volgens het onderdeel, een onbegrijpelijke uitlegging van onderdeel B van de eerste appelgrief gegeven. Onderdeel B luidt als volgt (memorie van grieven p. 2-3): ‘’De rechtbank had niet als vaststaand mogen aannemen dat de rentabiliteit van Beklamel onder zware druk stond als […]”

r.o. 5.3

“Het onderdeel miskent dat het hof de vorderingen van Stimulan heeft beoordeeld op de door Stimulan zelf daartoe gestelde grondslag, weergegeven in r.o. 4 van het tussenarrest: [verweerder] ‘’moet hebben geweten, dat Beklamel haar verplichtingen uit hoofde van die koopovereenkomst niet kon nakomen.’’ Het is deze maatstaf die het hof in r.o. 6, enigszins uitgewerkt, vooropstelt en aanhoudt in plaats van de door Stimulan in onderdeel A van haar eerste appelgrief geformuleerde maatstaf ‘’of [verweerder] serieus kon menen dat Beklamel aan haar verplichtingen jegens Stimulan zou kunnen voldoen.’’ De klacht van het onderdeel, dat het hof de stellingen van Stimulan heeft beoordeeld in het licht van een onjuist criterium, mist derhalve feitelijke grondslag. Afgezien van het vorenstaande moge ik bovendien het volgende over onderdeel 1 opmerken. 5.1. De vordering van Stimulan berust mede op de stelling dat [verweerder] als directeur en enig aandeelhouder van Beklamel jegens Stimulan persoonlijk aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. In de toelichting op onderdeel 1 (p. 5–7, sub 10–12) wordt betoogd dat de (toegevoegde) hoedanigheid van enig aandeelhouder in een geval als het onderhavige een verdergaande persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder meebrengt. Dat zou dan hierop berusten dat het belang van de vennootschap volkomen parallel loopt met het belang van de bestuurder-enig aandeelhouder: verwevenheid van belangen, economische identificatie. 5.2. Vooropgesteld zij dat het […]”

r.o. 4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:1989:AB9521
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 mei 1989
Datum publicatie
30 juni 2023
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:93 BW, 2:203 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 21 van 1989

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.